3. HET BIJENVOLK

3.1 Algemeen

De honingbij is een insect dat leeft van nectar en stuifmeel van de planten. Een bij is dus niet georiënteerd op de mens en zal de mens dus niet steken, zolang deze de bijen niet behoorlijk stoort. Als een imker een bijenkast openmaakt, betekent dit meestal een behoorlijke storing van zo’n volk. Regelmatig eens een steek oplopen is voor een imker niets bijzonders. Gezien de elastische huid van de mens en het feit dat de bijenangel weerhaakjes heeft, blijft de angel van de bij die gestoken heeft, in onze huid zitten. Met een mes of iets dergelijks weghalen en niet knijpen. Dan knijp je alle gif juist in jouw lichaam. De bij die gestoken heeft, rukt zich los waarbij de angel en de gifblaas worden losgerukt van het lichaam, de bij sterft daarna spoedig.

3.2 Samenstelling van een volk
In een bijenvolk kunnen wij drie typen bijen aantreffen:

koningin (moer)
  • De koningin
    • Dit is een vrouwelijke bij, waarbij de geslachtsklieren (ovaria) normaal zijn uitgegroeid. Zij is de enige bij in een volk die eitjes legt.
werksterbij
  • Werksters of werkbijen
    • Dit zijn vrouwelijke bijen, waarbij de ovaria niet tot ontwikkeling zijn gekomen. De angel wel.
dar
  • Darren
    • Dit zijn mannelijke bijen. Zij hebben geen angel.

In onderstaand schema is te zien hoe de aantallen ’s zomers en ’s winters variëren:

’s zomers’s winters
Koninginéénéén
Werksters60.000-80.00015.000-25.000
Darrenenkele honderdengeen

Een koningin kan 4 tot 5 jaar leven. Werkbijen leven ’s zomers 6 weken en ’s winters ongeveer 6 maanden. Deze winterbijen moeten de winterperiode overbruggen. Daarom verzorgen zij in het najaar geen broed. De voedersapklieren worden niet tot productie gestimuleerd. Ze leggen daarentegen in hun achterlijf een eiwit – vet – lichaam aan, dat waarschijnlijk hun levensduur bepaalt.
Darren leven ongeveer 6 tot 7 weken. De darren die aan het einde van het seizoen (augustus/september) nog in het volk aanwezig zijn worden door de werksters uit het volk verstoten. Hen wordt de toegang tot de kast geweigerd of ze worden doodgestoken. Dit heet de darrenslacht.

3.3 Taakverdeling in het volk

De werkbijen verrichten het meeste werk. Hun taken in de zomerperiode zullen nader worden opgesomd. De zes weken dat de werkbij leeft zijn opgesplitst in drie weken binnendienst en drie weken buitendienst.
De eerste drie weken moeten de werkbijen:

  • cellen poetsen
  • broed verzorgen, met name larven voeren en warm houden
  • nectar en stuifmeel overnemen en verwerken
  • was zweten en raten bouwen
  • de koningin verzorgen

Aan het einde van de eerste drie weken moeten de werksters de vliegopening bewaken: de wachters of waakbijen. De darren hebben als enige taak het bevruchten van jonge koninginnen. Dit komt vooral voor in de zwermtijd: half mei – half juni.

3.4 Oriëntatie

eitjes en larven

Bijen oriënteren zich op de omgeving en op de kast waar ze wonen. Het is van belang dat zij hun kast feilloos weten terug te vinden, ook vanaf drie kilometer afstand. Kunnen ze de kast niet terug vinden dan gaan ze dood. Om efficiënt te kunnen halen moeten ze de weg goed weten.
De tweede periode van drie weken wordt begonnen met het verkennen van de omgeving: invliegen. Zij moeten zich oriënteren op de omgeving en op de plaats van hun kast. De buitenbijen vliegen uiteindelijk tot drie kilometer van hun kast. Bij het verplaatsen van bijenvolken moet de imker daar terdege rekening mee houden. Hij moet een volk minimaal 6 kilometer verplaatsen wil hij geen kans hebben dat er werkbijen op de oorspronkelijke plaats terugkeren.
Na het verkennen van de omgeving worden de buitenbijen dus haalbijen.

achterpootje honingbij met stuifmeelklompje

Zij halen:

  1. Nectar
    • Nectar is de energiebron van bijen. Nectar wordt door bijen verwerkt tot honing in de honingmaag en opgeslagen in raatcellen. Na indamping en verzegeling is honing in een volk lang houdbaar.
  2. Stuifmeel
    • Stuifmeel is de eiwitbron voor bijenlarven. Het is onontbeerlijk voor de ontwikkeling van het broednest.
  3. Water
    • Water is nodig voor de vochthuishouding (hoge luchtvochtigheid) van de bijen en speelt een belangrijke rol bij de temperatuurregeling in een volk. Bij het bereiden van voedsel voor de larven is ook water nodig.
  4. Propolis
    • Propolis is een taaie en kleverige stof die wordt verzameld op knoppen van bomen. Alle kieren en naden van de kast worden er mee dichtgekit. Het wordt ook gebruikt ter versteviging van de raten. Het heeft een sterk a-septische werking.

Nectar en water worden vervoerd in de honingblaas. Stuifmeel en propolis neemt de werkbij mee in de stuifmeelkorfjes aan de achterpoten.
De koningin heeft als enige, belangrijke, taak eitjes te leggen. Zij begint hiermee in februari en stopt pas weer in oktober/november. In onderstaand schema is te zien hoe de eileg verloopt door het jaar heen.

Gemiddeld aantal eitjes per dag:

februari135eindjuni1081
maart220juli668
april309augustus348
begin mei1008begin september450
mei1450september83
begin juni1538naseizoen0

Voor de oriëntering maken de bijen gebruik van:

  1. Vorm
    • Bijen onderscheiden vormen. Door alle kasten dezelfde vorm te geven en bovendien grote aantallen dicht bij elkaar te plaatsen maakt men het voor de bijen moeilijker. De kans op vervliegen wordt groter. Vervliegen wil zeggen dat bijen naar andere kasten vliegen dan waar ze thuis horen. Als ze niks te bieden hebben is de kans groot dat ze worden afgestoken door de wachtbijen.
  2. Kleur
    • Bijen kunnen vier kleuren goed onderscheiden: wit, geel, blauw en blauwgrijs. De andere kleuren zijn voor bijen niet meer dan donker en licht. De kastkleur is dus van belang voor een goede herkenning van de eigen kast.
  3. Geur
    • Bijen kunnen een geur produceren die kenmerkend is voor hun eigen kast. Dit gebeurt door het stertselen. Zij doen dit met name in de buurt van het vlieggat als er druk wordt gevlogen, als de jonge bijen voorvliegen en als de jonge koningin op bruidsvlucht is. Ook als de kast open is geweest vertonen de bijen dit gedrag, bijen die zijn uitgevlogen kunnen de kast gemakkelijker terugvinden.

>>> 4. ZWERMEN