7. DRACHTPLANTEN

7.1 Bijenweide
Honingbijen halen zelf hun voer en zorgen voor een wintervoorraad voer. De imker oogst dat vervolgens als honing. De bijen moeten wel in de gelegenheid zijn om voer te winnen en voor de winter moet de imker de geoogste honing vervangen door een alternatieve wintervoorraad. Bijen halen hun voer van planten: nectar en stuifmeel. De planten die daarvoor door bijen worden bezocht noemen we bijenplanten of drachtplanten. Staan er veel planten bij elkaar, zoals in een veld koolzaad, dan wordt ook wel gesproken van een drachtgewas of kortweg dracht. Het is dus zaak dat er het hele seizoen drachtplanten in de buurt van de bijen staan. Of de imker moet de bijen bij drachtplanten plaatsen (met de bijen reizen). Wordt hier niet aan voldaan, dan moet de imker genoegen nemen met minder of geen honing. Misschien moet hij al na de voorjaarsdracht beginnen met bijvoeren om te voorkomen dat de volken te kort komen.

7.2 Voorjaar

In het voorjaar is het aantal drachtplanten groot. Het begint met de voorjaarsbollen als sneeuwklokje, winteracconiet en krokus. Daarna komen de verschillende wilgensoorten. Wilgen zijn tweehuizig, er zijn vrouwelijke en mannelijke planten. De bomen met de bekende katjes leveren geel stuifmeel, dat zijn dus mannelijke planten. Aan de vrouwelijke planten komen geen katjes maar onopvallende bloempjes met een soort vanginrichting voor het stuifmeel. Wel produceren zij nectar om insecten te lokken. Vliegt een bij met stuifmeel aan zijn haren naar een vrouwelijke bloem om nectar op te zuigen, dan zullen stuifmeelkorrels in aanraking komen met de kleverige bloemdelen en zo wordt de bloem bestoven. Na de wilg komt de paardebloem, die massaal kan bloeien in wegbermen en in weilanden. Intussen vordert het voorjaar en komen er bomen in bloei als sleedoorn, peer, kers en ander fruit. Ook in de sierbloemen en struiken komen nogal wat drachtbronnen voor. Een nog steeds te bereizen belangrijke dracht is het koolzaad (oost Groningen). Dat bloeit in de maand mei.

7.3 Zomer

Dan bloeit ook de acacia (Robinia pseudoacacia). Daarna komt de linde, als het tenminste niet te droog is. De voorjaarsdracht is dan voorbij. Wel komen dan braam en vuilboom in bloei, evenals bijvoorbeeld sneeuwbes. Misschien genoeg voor onderhoud van het volk, maar meestal geen echte dracht. Er kan worden gereisd naar de phacelia, klaver en luzerne.

7.4 Nazomer

In juli bloeit de dopheide en daarna in augustus de struikheide, De opbrengst van de struikheide is nogal afhankelijk van het weer voor en tijdens de bloei. Trekt er een onweersbui over de heide dan kun je de kasten wel weghalen, zeiden de oude korfimkers. Een enkeling gaat dan nog naar de zeeaster aan de waddenkust, eind augustus tot half september.

7.5 Voeren
Om de bijen de winter goed door te laten komen hebben ze minimaal 10 kg suiker nodig per volk. Veelal wordt 14 liter gefermenteerde suikeroplossing gegeven. Biet- of rietsuiker kan de bij niet verteren, het wordt door een enzym eerst gesplitst in brokstukken die wel zijn op te nemen. Door voorgefermenteerde suiker te geven, zouden de winterbijen minder slijten. Het is echter vooral het gemak. Gewone suiker moet worden opgekookt en afgekoeld voer het kan worden gevoerd.

7.6 Verbetering bijenweide

Iedere imker moet kijken of er in de omgeving van de bijenstal voldoende drachtplanten voorkomen, gedurende het hele bijenseizoen. In een woonwijk met veel tuinen kan dat heel goed zijn, staan er kastanjes en linden dan kan er vanuit de stal worden geïmkerd, zonder te reizen. In een puur weidegebied kan de voorjaarsdracht goed zijn met wilg en paardebloem. Maar daarna is er niet veel meer te halen voor de bijen. De imker met een tuin kan veel voorjaarsbollen planten, misschien is een kastanje of linde ook mogelijk. Struiken als berberis en sneeuwbes zijn ook goed. Soms is de gemeente bereid om drachtplanten te zetten in het openbaar groen. De imker heeft de zorg op zich genomen voor de bijen, hij moet dus zorgen voor goede drachtomstandigheden voor zijn volken. Lukt dat niet bij de standplaats, dan zal er moeten worden gereisd. Misschien kan een zomerstand worden gevonden in een nabijgelegen natuurterrein.
Een dracht waar geen bloemen aan te pas komen wordt gevormd door honingdauw, een luizenafscheiding. Het kleverige sap dat door luizen wordt afgescheiden wordt door o.a. mieren en bijen opgelikt. Deze blad- of bos- (Wald) honing wordt dan ook wel luizenhoning genoemd. De honing is donker van kleur en sterk van smaak. In Nederland eigenlijk niet apart gewonnen, in het buitenland soms wel. Of er voor de bijen iets valt te halen hangt van veel factoren af. Het tijdstip van de dag, is het droog of nat, staan er voldoende planten om op te vliegen. In het vroege voorjaar en de late herfst vliegen ze eigenlijk op alles wat er is. Als het weer beter is willen ze als het kan een echte dracht. Bijen vertellen elkaar waar een goede drachtbron is, steeds meer bijen uit die kast gaan daar dan op vliegen. Ze scharrelen dus niet van bloem tot bloem zoals hommels. Een imker die van vele plantensoorten en paar planten in de tuin heeft zal in de zomer geen bij tegenkomen. Staan er meerdere planten bij elkaar dan komen er meer bijen. Dit hangt ook weer af van wat de planten de bijen te bieden hebben. Zelf waarnemen is het beste, wat bloeit er, waar vliegen de bijen op, met wat voor soort stuifmeel komen ze thuis, als ze de tuin uitvliegen, waar gaan ze heen.

7.7 Drachtplantenlijst

Nu volgt een lijst met veel bevlogen drachtplanten (is bij lange na niet volledig):

  • Aardbei
  • Acacia
  • Appel
  • Aster
  • Berberis
  • Berenklauw
  • Bessen
  • Bernagie of komkommerkruid
  • Blauw druifje
  • Boekweit
  • Braam
  • Brem
  • Bruidssluier
  • Campanula
  • Cotoneaster
  • Krokus
  • Cotoneaster
  • Dahlia
  • Distelsoorten
  • Dwergkwee
  • Esdoorn
  • Fluweelboom
  • Guldenroede
  • Heide
  • Helleboris
  • Honingboom
  • Hulst
  • Kaasjeskruid of malva
  • Kastanje
  • Kattestaart
  • Kers
  • Klaproos
  • Klaver
  • Klimop
  • Koolsoorten
  • Korenbloem
  • Kwee
  • Lamsoor
  • Liguster
  • Linde
  • Mahonia
  • Marjolein
  • Mosterd
  • Ossetong
  • Paardebloem
  • Papaver
  • Peer
  • Phacelia
  • Pruim
  • Prunus
  • Reseda of wouw
  • Roos
  • Sedum of vetkruid
  • Skimmia
  • Sleedoorn
  • Sneeuwbes
  • Sneeuwklokje
  • Springbalsemien
  • Sterhyacint of Scilla
  • Tamme Kastanje
  • Teunisbloem
  • Tijm
  • Toorts
  • Vuilboom of sporkehout
  • Wilg
  • Wilgenroosje
  • Winteracconiet
  • Zeeaster
  • Zenegroen
  • Zonnebloem


>>> 8. BIJENPRODUCTEN