Imkersvereniging Zuidlaren     -     Sinds 1893  
 
   
 

Kennismakingscursus

Voor een ieder die meer wil weten over honingbijen, is onderstaand stuk geschreven.
Wilt u eerst wat eenvoudiger beginnen lees dan Suske en Wiske.

Samenstellers: Jan Enne Dees en Gerrit Freije.

INHOUD

  1. Historie van de honingbij
    • Prehistorie
    • De eerste imkers Bij op bloem
    • Bedrijfsmatig imkeren
  2. Het bijenleven in vogelvlucht
    • De bij, het volk
    • De ecologische plaats van de honingbij
    • De levenscyclus van de honingbij
    • Het leven van de werksterbij
  3. Het bijenvolk
    • Algemeen
    • Samenstelling van een volk
    • Taakverdeling in het volk
    • OriŽntatie
  4. Zwermen
    • Het natuurlijke zwermen
    • Zwermdrift
    • Zwermtekenen
    • De voorzwerm
    • Tuten en kwaken
    • De nazwerm
    • De kunstzwerm
    • Bruidsvlucht
    • Aan de leg
    • Van ei tot bij
  5. Huisvesting
    • Algemeen
    • Bijenkasten
    • Het bijenraampje
    • De kastkleur
    • De bijenstand
    • Het verplaatsen van een volk
    • OriŽntatie
    • Bijendans
    • Bloemvastheid
  6. Bijensteken
    • Algemeen
    • Onschuldige zwelling
    • Allergische reactie
    • Vergiftiging
  7. Drachtplanten
    • Bijenweide
    • Voorjaar
    • Zomer
    • Nazomer
    • Voeren
    • Verbetering bijenweide
    • Drachtplantenlijst
  8. Bijenproducten Echte imkershoning
    • Algemeen
    • Honing
    • Was
    • Propolis
    • Koninginnegelei
    • Bijengif
    • Stuifmeel
  9. Ziekten en plagen
    • Algemeen
    • Varroamijt
    • Microbiologische aantasting
    • Amerikaans Vuilbroed
    • Nosema
    • Natuurlijke afweer tegen ziekten en plagen
  10. In de winterrust
    • Nazomer
    • Winter
    • Vroege voorjaar
    • Voorjaarsinspectie
  11. Omgaan met bijen
    • Hulpmiddelen
    • Inspectie
    • Handelingen in volgorde
  12. Wetenswaardigheden omtrent een bijenvolk
  13. Na de kennismakingscursus en dan...
    • Algemeen
    • VBBN
    • Imkervereniging Zuidlaren e.o., anno 1893
  14. Boekenlijst
1. HISTORIE VAN DE HONINGBIJ

dieren als vee houden1.1 Prehistorie
Ongeveer 10.000 jaar geleden ontdekte de mens hoe hij dieren en planten kon domesticeren. Hierdoor hoefde er niet langer alleen maar gejaagd en verzameld te worden om in de levensbehoeften te voorzien. De tijd om als nomaden in kleine groepen rond te trekken was niet meer aanwezig. In die tijd was ook de tijd aangebroken om te trachten de honingbij te domesticeren. Uit rotsschilderingen van zoīn 15.000 jaar oud is gebleken dat de eerste pogingen van de mens om aan de zoete honing te komen was door het honingjagen. Bijennesten werden opgespoord en met behulp van touwladders benaderd en geplunderd. Al snel was er sprake van het gebruik van rook om de bijen te kalmeren.

1.2 De eerste imkers
De oude Egyptenaren staan te boek als de eerste imkers, 2000 jaar voor Christus. Zij gingen bijen houden in verplaatsbare behuizingen. De eerste bijenwoningen bestonden uit gevormde en gedroogde klei in cilindervorm. Deze cilinders konden worden gestapeld. In later tijd werden door de Grieken de kleicilinders gebakken (terra cotta). De Egyptenaren reisden per boot met het voorjaar mee met de bijenvolken van zuid naar noord langs de Nijl. In de Romeinse tijd kwamen ook de holle boomstammen voor en ook cilinders van gevlochten riet en ook al de rechthoekige houten kast. De behuizingen hadden alle aan de voorkant een klein vlieggat en aan de achterzijde een deksel. Leefwijze en ontstaan van bijen is onderzocht door de wijsgeer Aristoteles, ca. 350 jaar voor Christus. Aristoteles benoemde de angelloze darren tot de vrouwtjes, de koningin was de koning en de werksters (met angel ) waren de soldaten. Deze wijsheden hebben nog stand gehouden tot ca. 1700 na Christus.

1.3 Bedrijfsmatig imkeren
Imker aan het werkIn de 18e eeuw werden stap voor stap de eerste korven met losse bouw (demontabele raten) vervaardigd. De raten hoefden niet te worden uitgebroken om de honing te winnen en de bijenvolken konden worden behouden. Ook werd gewerkt aan de etagebouw om honing en broed gescheiden te houden. In tijden met grote dracht werden extra etages op de bijenwoning gezet om daarin de honing te laten opslaan door de bijenvolken. In 1790 ontwierp de Zwitser Huber de eerste bijenkorf met verwisselbare ramen. Hij kwam er na veel experimenteerwerk achter dat wanneer de ramen een afstand hart op hart van 32 mm hadden in de korf, dat dan de bijen de raten op de juiste plaats in de ramen gingen bouwen. De ruimte tussen de raten moest ca. 1 cm bedragen, anders bouwden de bijen de raten aan elkaar. De tussenruimte van 1 cm laat voldoende ruimte om de bijen op de raten te laten lopen. De ruimten boven en onder raten en voor en achter moest 0,5 cm zijn, voldoende om een bij te laten passeren. Bij meer ofwel minder ruimte bouwen de bijen de ruimtes vol. In 1851 ging de heer Langstroth uit Filadelphia een stap verder dan Huber en ontwierp een kast met losse ramen. Dit is de bijenkast waarmee de imker ook heden ten dage nog werkt, alhoewel er nog vele verbeteringen in het bedrijfsmatige systeem van Langstroth zijn aangebracht in de loop van de tijd. Denk maar aan de losse vellen kunstraat met daarin een wapening van ijzerdraad. En het koninginnerooster om het broednest en de honingraten te scheiden. Ondanks alle inspanningen is de mens er niet in geslaagd de honingbij te domesticeren. De mens heeft zich geleidelijk meer aangepast om aan de behoeften en voorkeuren van de bijen tegemoet te komen.

2. HET BIJENLEVEN IN VOGELVLUCHT


2.1 De bij, het volk
CarnicamoerBij een sociaal gericht insect als de honingbij is op zich niet de levenscyclus van een individuele bij van belang, maar juist de cyclus van de sociale staat, het bijenvolk. Het bijenvolk is eigenlijk te beschouwen als en soort supermechanisme, het voedt en vermenigvuldigt zich als ťťn geheel, het verplaatst zich als ťťn geheel en eigenlijk lijkt ook de ademhaling meer op die van ťťn dier. De onderdelen van dit organisme zijn de vrouwelijke individuen, de tienduizenden werksters en ťťn koningin. De werksters zijn onvolledig ontwikkeld, ze zijn niet in staat te paren. De koningin (of moer) is het enige vruchtbare exemplaar en kan tot 2000 eieren per dag leggen. In het voorjaar tot aan september zijn enkele honderden mannelijke bijen aanwezig, de darren. Darren zijn angelloos en alleen nuttig om de koningin te bevruchten. De werksters staan volledig in dienst van de kolonie en zij bouwen de honingraten, verzorgen het broed, houden de korf hygiŽnisch schoon en bewaken de korf en verzamelen het voedsel. Daarom bekijken we eerst het leven van de kolonie.

2.2 De ecologische plaats van de honingbij.
Elke soort heeft zijn eigen plaats in de natuur. Dat is een plaats die afwijkt van andere soorten in het milieu waar het dier voorkomt. Anders zouden twee of meer soorten directe concurrenten van elkaar zijn en elkaar willen verdringen en uiteindelijk elkaar gaan uitroeien. Doordat de leefwijze van honingbijen met enkele specifieke kenmerken verschilt van andere insecten, kunnen de honingbijen naast andere insecten en ook naast andere bijen bestaan. Nectar is de koolhydraatbron voor bijen, het levert de nodige energie. Aan de nectar worden door de bijen enzymen toegevoegd voor de houdbaarheid en de nectar wordt ingedikt tot 80% droge stof, waardoor er mede voor wordt gezorgd dat de nectar wordt getransformeerd in honing. Stuifmeel wordt verzameld om de koningin (eierproducente) en de larven te voeden. De bloemen die afhankelijk zijn voor de bestuiving van insecten, produceren eiwitrijk stuifmeel, om de insecten te gerieven en daarmede hun voortplanting veilig te stellen. Bijen brengen het grootste deel van het stuifmeel naar hun nest, maar er blijft voldoende over om vliegend van bloem naar bloem, van dezelfde soort, om voor een goede kruisbestuiving te zorgen. Het bijzondere van honingbijen is dat het kolonies zijn, maar nog meer dat het meerjarige kolonies zijn. Bijenvolken zijn zodra het voorjaar komt al in staat om massaal uit te vliegen voor de eerste bloeiende planten. Juist dit aspect om reeds vroeg in het voorjaar klaar te staan om planten te kunnen helpen bij de bevruchting en daarmee alle andere insecten voor te zijn, vormt de ecologische niche van de honingbij. Honingbijen zijn geŽvalueerd in de tropische regenwouden. In India leven de Apis dorsata (reuzenbij) en de Apis florea (dwerghoningbij). Deze soorten leven in de buitenlucht, ze bouwen hun raten aan rotsen of takken. Mieren, wespen, vogels en allerlei zoogdieren zijn hun belagers. Een derde soort, de Apis cerana, heeft een afweer tegen de belagers gevonden, door een nest in een afgeschermde ruimte te bouwen, meestal een holle boom. Deze strategie kent ook een nadeel, namelijk dat de nesttemperatuur in de tropen moeilijk beheersbaar is. Dit is voor de meer gematigde klimaatzones geen nadeel, maar een voordeel om de winter door te komen. Vandaar dat vanuit de Apis cerana vele andere rassen zijn ontstaan die zijn gemigreerd en geŽvalueerd naar ook onze streken. Dit is de Apis mellifera. De Apis mellifera heeft zich nog verder aan moeten passen om voor de winters in de gematigde klimaatzone een honingvoorraad en stuifmeelvoorraad op te slaan. Juist deze eigenschap om veel honing te verzamelen om in deze klimaatzone te kunnen overleven heeft de Apis mellifera voor de mens commercieel aantrekkelijk gemaakt.


klik en vergroot2.3 De levenscyclus van het bijenvolk
Broed met pollen (stuifmeel)We gaan verder met de honingbijen in de gematigde klimaatzones (Apis mellifera). In de winter bevindt de kolonie zich in een rusttoestand. De bijen zitten met tienduizenden dicht opeengepakt op de raat, en wel op het gedeelte waar zich voorraden bevinden, in een bolvorm In het midden van de bolvorm bevindt zich de koningin. De bijen produceren warmte door hun spieren te gebruiken. De winter temperatuur is middenin de tros 25 graden en in de periferie van de tros tot 15 graden. De buitenste bijen van de tros kruipen weer naar binnen wanneer zij te koud worden en worden daardoor afgelost door andere werksters. Wanneer de dagen flink beginnen te lengen in februari wordt de koningin door de hofstaat weer met eiwitrijk voedsel gevoerd. Dit heeft tot gevolg dat de koningin met de eierleg begint. Met de start van de eierleg wordt de temperatuur binnen in de tros opgevoerd tot de broedtemperatuur van 36 graden Celsius. De larven komen na drie dagen uit het ei en worden eerst drie dagen gevoerd met voedersap dat door de werksters met hun klieren wordt afgescheiden. Reuzenzwerm in boomNa de eerste drie dagen gaan de werksterlarven over op een dieet van honing en stuifmeel. Als de larve 6 dagen oud is, is ze volgroeid en gaat zich verpoppen. De cel wordt met een poreus wasdeksel afgesloten. Het popstadium van een werkster duurt 12 dagen. In deze 12 dagen vindt de metamorfose plaats tot een volwassen werksterbij. De jonge bij knaagt het wasdekseltje weg en voegt zich bij het bijenvolk. In een aantal gevallen worden onbevruchte eieren gelegd. Hieruit worden na een popstadium van 15 dagen de darren geboren, tot enige honderden per volk. Het aantal darren wordt bepaald door de werksters, want die bepalen het aantal te bouwen darrencellen. Een darrencel is in doorsnede groter dan een werkstercel. De koningin meet de omvang van de cel om te bepalen of een onbevrucht of een bevrucht ei moet worden gelegd. Het aantal bijen begint na 15 april sterk toe te nemen, dan kunnen er wel 30.000 eieren en larven in de kast aanwezig zijn. Na half mei komt de kolonie op de maximale sterkte, 50.000 ŗ 60.000 bijen. De kolonie wordt te groot en zal aanstalten gaan maken om zich op te delen. De werksters gaan koninginnecellen bouwen, die onder aan de raat hangen of in een deuk aan de raat. Totaal zoīn 6 ŗ 12 moercellen. De larven in deze cellen krijgen hun hele larventijd (zes dagen) koninginnebrij te eten. Hierdoor wordt de larf tot volwaardig vrouwelijk insect. Het popstadium van de koningin duurt 7 dagen. Zodra de koninginnecel wordt afgesloten met een wasdekseltje gaat de oude koningin aanstalten maken om de kast te verlaten. Ze gaat minder eieren leggen en sterk afslanken. Een dag of vijf voordat de eerste jonge koningin uit zal komen gaan de koningin en de helft van het volk de kast, met de buik vol voedsel, verlaten. Jonge bijen komen uitDit heet de voorzwerm. De zwerm zal trachten een nieuwe huisvesting te vinden, waar een geheel nieuw nest moet worden gebouwd. Intussen wordt in de oude kast de eerste nieuwe koningin geboren. Deze gaat nogmaals met de helft van het volk er vandoor. Hierna kan zich het zwermen mogelijk nog een keer herhalen. Uiteindelijk blijft in een natuurlijk gebeuren maar een gering aantal bijen (5 a 10.000) over met ťťn jonge koningin. De jonge koningin vliegt na ongeveer 7 dagen uit om met een aantal darren te paren. Deze bevruchting is voldoende voor het hele leven van de koningin om eieren te leggen gedurende maximaal vijf jaar. In de oude kast wordt van nu af aan hard gewerkt om het bijenvolk weer op normale sterkte te krijgen en om de hoeveelheid honing en stuifmeel op te slaan om te kunnen overwinteren. Met ingang van de maand augustus worden de darren als overbodig de kast uitgewerkt. De cyclus van het bijenvolk is rond.

klik en vergroot
2.4 Het leven van de werksterbij
De werksterbijen kennen ook een cyclisch levenspatroon. Uit de pop gekomen beginnen ze zich zelf te reinigen en vervolgens cellen te poetsen voor de eieren en voedselopslag. Een twintigtal bijen is continue bezig met cellen reinigen. Dat gebeurt grondig, per cel circa 40 minuten. Een koningin zal alleen zeer goed gereinigde cellen beleggen. Dit is met het oog op het tegengaan van ziekten. Na enige dagen zijn de voedersapklieren ontwikkeld en begint de werkster aan de taak om de larven te voeren. Per larve wordt door totaal 2700 verschillende werksters een aantal bezoeken gebracht voor de verzorging van 10.000 keer in zes dagen. Na het voedsterstadium komen de werksters aan de taak toe om was te zweten voor de bouw van raten, het afdichten van cellen met larven of met honing. Eťn kilo honing levert 60 gram was op. Eťn kilo was is voldoende voor de bouw van 80.000 cellen. De cellen zijn volkomen hexagonaal gebouwd, dit levert de sterkste raat met de minste bouwstof. WerksterDe raten worden verticaal gebouwd, de cellen staan daar met een hoek van 13 graden omhoog gericht op. Dit om te voorkomen dat de honing er gemakkelijk uitloopt Nadat de wasklieren hun functie verliezen worden de werksters ingeschakeld bij het ontvangen en verwerken van voedsel dat uit het veld wordt aangevoerd. De werksters nemen het stuifmeel en de nectar over en voegen enzymen toe en slaan het voedsel op in de raten. In een bijenvolk vindt continue uitwisseling van voedsel plaats Hierdoor zou je kunnen zeggen dat alle bijen in een volk over een gezamenlijke maag beschikken. De volgende taak voor de werksters is dat de kast moet worden bewaakt tegen allerlei rovers, maar vooral tegen bijen van andere volken. Het is immers vel efficiŽnter om honing te stelen dan om dit moeizaam te verzamelen in bloemen. De zwakste volken worden de klos van rovende bijen. De rovers worden herkend door hun gedrag, niet echt durven, en door hun afwijkende nestgeur. De werksterbijen beschikken over een deugdelijke afweer in de vorm van hun angel met gifspuit. De laatste taak van de werkster is het werk buitenshuis. Nectar, stuifmeel en propolis verzamelen. Deze taak begint na ongeveer twee weken en duurt ongeveer 3 weken. De vluchten gaan meestal tot maximaal 3 km van de kast, maar dat kan uitlopen tot 10 km. Een werkster kan maximaal haar eigen gewicht vervoeren, dat is 60 milligram Na vijf weken is de werksterbij versleten en gaat ze dood. In vele gevallen blijven de werksters in het veld achter. Een werksterbij kan in haar leven 7 gram honing verzamelen in 400 vluchten in totaal ongeveer een afstand van 800 km. Doordat 15.000 haalsters actief zijn wordt de prestatie van het gehele volk toch bewonderingwaardig groot

3. HET BIJENVOLK

klik en vergroot3.1 Algemeen

De honingbij is een insect dat leeft van nectar en stuifmeel van de planten. Een bij is dus niet georiŽnteerd op de mens en zal de mens dus niet steken, zolang deze de bijen niet behoorlijk stoort. Als een imker een bijenkast openmaakt, betekent dit meestal een behoorlijke storing van zo'n volk. Regelmatig eens een steek oplopen is voor een imker niets bijzonders. Gezien de elastische huid van de mens en het feit dat de bijenangel weerhaakjes heeft, blijft de angel van de bij die gestoken heeft, in onze huid zitten. Met een mes of iets dergelijks weghalen en niet knijpen. Dan knijp je alle gif juist in jouw lichaam. De bij die gestoken heeft, rukt zich los waarbij de angel en de gifblaas worden losgerukt van het lichaam, de bij sterft daarna spoedig.

Koningin3.2 Samenstelling van een volk

In een bijenvolk kunnen wij drie typen bijen aantreffen:
  • De koningin
    • Dit is een vrouwelijke bij, waarbij de geslachtsklieren (ovaria) normaal zijn uitgegroeid. Zij is de enige bij in een volk die eitjes legt.
  • Werksters of werkbijen
    • Dit zijn vrouwelijke bijen, waarbij de ovaria niet tot ontwikkeling zijn gekomen. De angel wel.
  • Darren
    • Dit zijn mannelijke bijen. Zij hebben geen angel.
Dar In onderstaand schema is te zien hoe de aantallen 's zomers en 's winters variŽren:

's zomers 's winters
Koningin ťťn ťťn
Werksters 60.000-80.000 15.000-25.000
Darren enkele honderden geen

Een koningin kan 4 tot 5 jaar leven. Werkbijen leven 's zomers 6 weken en 's winters ongeveer 6 maanden. Deze winterbijen moeten de winterperiode overbruggen. Daarom verzorgen zij in het najaar geen broed. De voedersapklieren worden niet tot productie gestimuleerd. Ze leggen daarentegen in hun achterlijf een eiwit - vet - lichaam aan, dat waarschijnlijk hun levensduur bepaalt.
Darren leven ongeveer 6 tot 7 weken. De darren die aan het einde van het seizoen (augustus/september) nog in het volk aanwezig zijn worden door de werksters uit het volk verstoten. Hen wordt de toegang tot de kast geweigerd of ze worden doodgestoken. Dit heet de darrenslacht.

klik en vergroot3.3 Taakverdeling in het volk

De werkbijen verrichten het meeste werk. Hun taken in de zomerperiode zullen nader worden opgesomd. De zes weken dat de werkbij leeft zijn opgesplitst in drie weken binnendienst en drie weken buitendienst.
De eerste drie weken moeten de werkbijen:
  • cellen poetsen
  • broed verzorgen, met name larven voeren en warm houden
  • nectar en stuifmeel overnemen en verwerken
  • was zweten en raten bouwen
  • de koningin verzorgen
Aan het einde van de eerste drie weken moeten de werksters de vliegopening bewaken: de wachters of waakbijen. De darren hebben als enige taak het bevruchten van jonge koninginnen. Dit komt vooral voor in de zwermtijd: half mei - half juni.

3.4 OriŽntatie

Eitjes en larven Bijen oriŽnteren zich op de omgeving en op de kast waar ze wonen. Het is van belang dat zij hun kast feilloos weten terug te vinden, ook vanaf drie kilometer afstand. Kunnen ze de kast niet terug vinden dan gaan ze dood. Om efficiŽnt te kunnen halen moeten ze de weg goed weten.
De tweede periode van drie weken wordt begonnen met het verkennen van de omgeving: invliegen. Zij moeten zich ori Žnteren op de omgeving en op de plaats van hun kast. De buitenbijen vliegen uiteindelijk tot drie kilometer van hun kast. Bij het verplaatsen van bijenvolken moet de imker daar terdege rekening mee houden. Hij moet een volk minimaal 6 kilometer verplaatsen wil hij geen kans hebben dat er werkbijen op de oorspronkelijke plaats terugkeren.
Na het verkennen van de omgeving worden de buitenbijen dus haalbijen.

Zij halen:
  1. Nectar
    • Nectar is de energiebron van bijen. Nectar wordt door bijen verwerkt tot honing in de honingmaag en opgeslagen in raatcellen. Na indamping en verzegeling is honing in een volk lang houdbaar.
    Stuifmeel aan achterpoot
  2. Stuifmeel
    • Stuifmeel is de eiwitbron voor bijenlarven. Het is onontbeerlijk voor de ontwikkeling van het broednest.
  3. Water
    • Water is nodig voor de vochthuishouding (hoge luchtvochtigheid) van de bijen en speelt een belangrijke rol bij de temperatuurregeling in een volk. Bij het bereiden van voedsel voor de larven is ook water nodig.
  4. Propolis
    • Propolis is een taaie en kleverige stof die wordt verzameld op knoppen van bomen. Alle kieren en naden van de kast worden er mee dichtgekit. Het wordt ook gebruikt ter versteviging van de raten. Het heeft een sterk a-septische werking.


klik en vergrootNectar en water worden vervoerd in de honingblaas. Stuifmeel en propolis neemt de werkbij mee in de stuifmeelkorfjes aan de achterpoten.
De koningin heeft als enige, belangrijke, taak eitjes te leggen. Zij begint hiermee in februari en stopt pas weer in oktober/november. In onderstaand schema is te zien hoe de eileg verloopt door het jaar heen.

Gemiddeld aantal eitjes per dag:
februari 135 eindjuni 1081
maart 220 juli 668
april 309 augustus 348
begin mei 1008 begin september 450
mei 1450 september 83
begin juni 1538 naseizoen 0


Voor de oriŽntering maken de bijen gebruik van:
  1. Vorm
    • Bijen onderscheiden vormen. Door alle kasten dezelfde vorm te geven en bovendien grote aantallen dicht bij elkaar te plaatsen maakt men het voor de bijen moeilijker. De kans op vervliegen wordt groter. Vervliegen wil zeggen dat bijen naar andere kasten vliegen dan waar ze thuis horen. Als ze niks te bieden hebben is de kans groot dat ze worden afgestoken door de wachtbijen.
  2. Kleur
    • Bijen kunnen vier kleuren goed onderscheiden: wit, geel, blauw en blauwgrijs. De andere kleuren zijn voor bijen niet meer dan donker en licht. De kastkleur is dus van belang voor een goede herkenning van de eigen kast.
  3. Geur
    • Bijen kunnen een geur produceren die kenmerkend is voor hun eigen kast. Dit gebeurt door het stertselen. Zij doen dit met name in de buurt van het vlieggat als er druk wordt gevlogen, als de jonge bijen voorvliegen en als de jonge koningin op bruidsvlucht is. Ook als de kast open is geweest vertonen de bijen dit gedrag, bijen die zijn uitgevlogen kunnen de kast gemakkelijker terugvinden.

4. ZWERMEN

4.1 Het natuurlijke zwermen

In de loop van het voorjaar, als de temperatuur stijgt en de plantenwereld in volle bloei raakt, groeit het bijenvolk naar het hoogtepunt van zijn bestaan, de zwermperiode. Als de imker niet ingrijpt dan kunnen we getuige zijn van het natuurlijk zwermen, dat uniek is in de natuur en prachtig om een keer te beleven. Bij de oude korfteelt liet men het volk zijn gang gaan, met het gevolg dat er in de zwermtijd dagelijks meerdere zwermen konden afkomen die moesten worden geschept. Op het platteland was dat geen bezwaar, er was altijd wel iemand om een oogje in het zeil te houden. De omgeving leverde ook geen problemen op, men had de ruimte en er was altijd wel een boom waar de zwerm in kon gaan hangen. Tegenwoordig ligt de situatie vaak heel anders, wie past er overdag op de bijen, welke buren vinden het prettig dat er een bijenzwerm in hun tuin komt. Om maar niet te spreken van de zwermen die in een spouw of schoorsteen gaan hangen. Het is dus zaak om het natuurlijk zwermen te voorkomen. Dat kan door het maken van een kunstzwerm. Maar eerst iets over het natuurlijk zwermverloop.

4.2 Zwermdrift

De zwermman Ieder bijenvolk wil zwermen, dat is de natuur. De wil om zich te vermenigvuldigen en de soort in standhouden is universeel. Zonder dat zou zo'n volk uitsterven. Er is maar ťťn koningin in een volk en die heeft niet het eeuwige leven. Een bijenvolk vermenigvuldigt zich door te zwermen. Hier tegenin gaan werkt niet. De imker kan doppen breken wat hij wil, het volk wil en zal zwermen, soms op een alleen maar belegde dop.

4.3 Zwermtekens
Voor het bevruchten van de nieuwe koninginnen zijn darren nodig. Meestal wordt er in de loop van het voorjaar begonnen met het bouwen en beleggen van darrenraat. Tegen de zwermtijd zijn de darren dan geslachtsrijp. Het aanzetten van speeldopjes is een teken dat het volk begint te denken aan zwermen. Het wordt pas serieus als er echte koninginnecellen (moerdoppen) worden gebouwd. Deze worden onder aan de raten, aan de zijkant of in toevallige openingen gemaakt. Zodra er een klein dopje is kan die worden belegd. De hofstaat-bijen gaan dan de koningin spaarzamer voeden. Zij moet afslanken om weer te kunnen vliegen. Bij een zwerm gaat de oude koningin mee naar het nieuwe nest. De eierproductie van rond 2.000 stuks per etmaal neemt fors af De behoefte om raten te bouwen neemt ook af, de raten staan niet meer scherp, maar worden stomp. Zodra uit het eerste koninginnenei een larve komt, verandert er iets in het volk. Alle activiteiten nemen af, veel bijen op de vliegplank die ogenschijnlijk niks doen. Ze klitten op de vliegplank, trekken een baard tegen de voorkant of gaan in een trosje aan de plank hangen. De werksters worden onvriendelijker tegenover de koningin, de normale harmonie is verstoord.

4.4 De voorzwerm

Al dagen voor het zwermen gaan de bijen die weg zullen vliegen hun maag vullen met honing, als proviand voor de reis. Blijkbaar is reeds vroegtijdig uitgemaakt wie weg gaat en wie blijft. De blijvers proberen door te werken, zelfs tijdens het afkomen van een zwerm. Het startsein voor de zwerm, voorzwerm of bromzwerm, is het verzegelen van de eerste koninginnendop. klik en vergrootAls het weer goed is komt de zwerm af tussen tien en twee uur. Bij slecht weer kan het worden uitgesteld, de nieuwe koningin komt immers toch pas over een week uit haar dop. Is alles o.k. dan komt er een grote onrust over het volk en er volgt een ware exodus. De lucht vult zich met tienduizenden bijen, die in grote kringen door elkaar vliegen. Ze maken daarbij een brommend-zoemend geluid, vandaar bromzwerm. Vaak zet de zwerm zich vlakbij de stal aan een tak. Die plaats wordt soms jaren door vele zwermen gebruikt. Als de speurbijen een goede nestgelegenheid hebben gevonden dan dirigeren zij de zwerm daarheen, op tijd scheppen dus. De speurbijen gaan al dagen voor de zwerm afkomt op zoek naar een nieuw onderkomen. Oude kasten of korven zijn in trek, waarschijnlijk door de geur. Ze vormen op zich natuurlijk ook goede woonruimte. Het komt vaak voor dat een zwerm in een openstaande kast trekt. Het bewust open laten staan van een kast of korf bij andermans bijen is strafbaar (lokken van zwermen). Een normale voorzwerm omvat ongeveer de helft van het oude volk. Intussen gaat in het oude volk het leven door, zij het met veel minder bijen en zonder ei-leggende koningin. De nieuwe koninginnen verpoppen in de gesloten cel. Als ze verpopt zijn moeten ze een paar dagen rijpen voor ze het deksel van de cel doorknagen en uitlopen. De werksters weten dat een koningin rijpt, ze knagen overtollige was weg van de moerdop, ze komen echter niet aan het spinsel van de pop. De moerdop krijgt daardoor een donkere kleur. De imker kan zo rijpere en jongere doppen van elkaar onderscheiden.

4.5 Tuten en kwaken

De jonge moer die uit haar cel is gekomen gaat eerst iets eten, honing, om zich dan in het volk te begeven. Zij maakt daarbij een tutend geluid, als van de bezettoon van de telefoon. Zij wil weten of er concurrenten zijn. Die verraden zich door te antwoorden. Maar omdat zij nog in hun wascel zitten wordt dat geluid gedempt, het kwaken. Het tuten en kwaken is buiten de kast te horen. De volgende koninginnen die rijp zijn verlaten hun cellen niet, het zou een gevecht op leven en dood worden met de eerste koningin, ze blijven wachten tot de eerste koningin gaat zwermen

4.6 Nazwermen

Een nazwerm stelt minder eisen aan het weer dan een voorzwerm, ze kan vroeger en later afkomen. Ze vliegt meestal direct verder en hoger weg, misschien door de maagdelijke koningin, die goed kan vliegen en weg wil uit de buurt van andere koninginnen. Deze zwerm bestaat in hoofdzaak uit vliegbijen en een jonge, onbevruchte, koningin. Met deze zwerm gaat vaak niet alleen de tutende moer mee, maar in het gedrang lopen nog een paar kwakers uit die meevliegen. Komt er daarna nog een nieuwe moer uit dan kan die ook gaan zwermen. Soms komen er zoveel zwermen af, dat het oorspronkelijke volk zich kapot zwermt, het is helemaal afgezwermd en te klein om zelfstandig te overleven als volk. Is het weer te ongunstig of zijn de werksters het zwermen beu dan knagen ze de overgebleven moerdoppen aan de zijkant open en trekken de poppen eruit. Binnen een paar dagen zijn de doppen helemaal weg geknaagd.

4.7 De kunstzwerm

Als de imker zelf de regie wil voeren kan hij een kunstzwerm maken. Als er zwermtekenen zijn, bijvoorbeeld de eerste belegde dop, dan zoekt hij de oude koningin. Zij wordt met het raam waarop zij zit in een apart kastje gedaan, vaak een zesramer. Daar worden extra bijen bij gedaan door een paar ramen met bijen af te kloppen. Een raam met voer en een met stuifmeel horen er ook bij, verder kunstraat. Dit kastje wordt ergens anders gezet om te voorkomen dat alle vliegbijen weer terug vliegen naar de oude kast. Er zijn ook imkers die de kunstzwerm naast of boven de oude kast zetten, als reserve volk voor het geval de nieuwe koningin in het oude volk niet aan de leg komt. Als de koningin uit de kast is gehaald dan moeten alle moerdoppen worden weggehaald. Gebeurt dat niet dan is onbekend wanneer er een nieuwe koningin komt en eventueel zwermt. Worden de doppen gesneden dan zet het volk direct nieuwe doppen aan, meestal op een ťťndaags larve of op een twee dagen oude larve. De imker weet dan dat op de dertiende dag na het doppen breken er een nieuwe koningin zal uitkomen. Door dan 's avonds te controleren kan hij indien gewenst nog een paar moeren laten lopen en de rest verwijderen. Na een uur of vier 's middags wordt er niet meer gezwermd en de nieuwe moeren zoeken elkaar op en proberen elkaar dood te steken. Er blijft er uiteindelijk maar ťťn over en de volgende dag heeft het volk een nieuwe koningin.
Hier is een voorbeeld gegeven van hoe een kunstzwerm kan worden gemaakt. In de praktijk zijn er vele varianten. Imkers die de koningin niet kunnen vinden of dat te veel werk vinden, hebben zo hun manier om dat probleem te omzeilen, maar dat voert hier te ver om uit te leggen.

4.8 Bruidsvlucht

Nadat een jonge koningin is geaccepteerd door een zwerm of een afgezwermd volk, moet ze een bruidsvlucht maken om te paren. Een koningin is geslachtsrijp vanaf ongeveer 8 dagen. Enkele Op zoek naar nectar dagen voor de bruidsvlucht maakt ze oriŽntatievluchten. Zij verkent dan de plaats van haar kast (dus in die periode niet verplaatsen) en verkent de omgeving. Zij vliegt alleen uit als het mooi weer is. Is het te lang slecht weer dan begint ze onbevruchte eieren te leggen, ze is dan darrenbroedig. Tot de 21ste dag kan ze op bruidsvlucht. Als alles goed gaat, gaat ze op bruidsvlucht. Door de geur die zij dan verspreidt (sexferomoon) trekt zij honderden darren aan, het lijkt soms net een zwerm. De koningin trekt naar een darrenverzamelplaats om te paren. De paring vindt hoog in de lucht plaats. In totaal kunnen er wel 25 - 30 darren met de koningin paren, dat kan gebeuren in een paar bruidsvluchten. Na de paring breekt het geslachtsapparaat van de dar af en hij gaat dood. Na de laatste paring vliegt de koningin terug naar de kast, met het geslachtsapparaat van de laatste dar nog in haar, het zogenaamde bevruchtingsteken. In feite is de koningin niet bevrucht, zij heeft sperma ontvangen van de darren, wat zij opslaat in haar zaadblaas (spermatheca). Als de bruidsvluchten goed zijn verlopen heeft zij genoeg sperma voor 4 - 5 jaar eieren leggen. Is de voorraad eerder op dan legt ze alleen onbevruchte eieren en daar komen alleen darren uit.

4.9 Aan de leg

Na de bruidsvlucht zou de koningin aan de leg kunnen gaan. Zij legt echter niet in een vuil nest: zij wacht tot alle broed van haar voorgangster is uitgelopen voor zij zelf eieren gaat leggen. klik en vergroot De imker wil graag snel weten of zijn nieuwe moer goed is, maar hij moet geduld hebben. Het duurt ongeveer 24 dagen voor het oude broed is uitgelopen, geef de nieuwe moer even de tijd om te leggen voor je stoort, en er moet al gauw een maand worden gewacht na het maken van een kunstzwerm. En volk met een nieuwe moer storen kan problemen geven. De werksters kunnen denken dat die niet leggende koningin niet goed is en haar opruimen. Jammer dan, want er is geen open broed meer om nieuwe koninginnen te krijgen. De imker moet dan ingrijpen door een andere koningin in te voeren, een raam met eitjes in hangen of de kunstzwerm met de oude koningin terug verenigen.
Gaat de koningin leggen dan inspecteert zij iedere cel voor zij een ei legt. Is de cel goed en is het een werkstercel dan laat zij een tiental spermacellen toe voor de bevruchting van dat ene ei. Belegt zij een darrencel dan vindt er geen bevruchting plaats en wordt er dus een onbevrucht ei gelegd. Darren zijn dus exacte kopieŽn van hun moeder.

4.10 Van ei tot bij

Uit een bevrucht ei kan zowel een werkbij als een koningin ontstaan. Het eistadium duurt 3 dagen. Dan gaat het eitje over in een larve. Eigenlijk is het een made, een pootloze larve die in haar voer zwemt. Het larven-stadium duurt 6 dagen. Tijdens dit stadium wordt de larve gevoerd. Een larve bedoelt voor koningin, krijgt veel vaker en veel geconcentreerder voer dan een larve die werkster wordt. Gedurende de 6 dagen van het larven-stadium wordt een koninginnelarve ongeveer 1600x gevoed, een werksterlarve daarentegen maar 140x. Het eerste voer van de larve bestaat uit koninginnegelei, dat geproduceerd wordt in de voedersapklieren van jonge werksters. De koninginnelarve krijgt vrijwel uitsluitend dit speciale voer. Werksterlarven krijgen er al gauw ook stuifmeel bij. Een koninginnelarve eet zich overvol, de slokdarm rekt dan op en prikkelt een hormoonklier (de corpora-allata). Deze hormonen zorgen er voor dat de larve uitgroeit tot koningin. De werksterlarven die het met heel wat minder moeten doen groeien niet uit tot koningin, hun geslachtsklieren zijn niet volgroeid en het lichaam is ook veel kleiner. In aanleg zijn deze twee types larven echter volkomen identiek. In bijzondere gevallen kan een larve die volgens larven-menu is gevoed tot ze 1,5 dag oud is nog wisselen van menu en uitgroeien tot koningin. Vindt de overschakeling later plaats dan lukt het niet meer en komt er toch een werkster.
In beide gevallen gaat na 6 dagen de larve over in pop. De cel wordt dan gesloten met een luchtdoorlatend wasdeksel. De duur van het popstadium van de koningin is 7 dagen, van een werkster 12 en van een dar 15 dagen. Een werkbij gaat direct na de geboorte aan het werk, een dar is na 12 dagen geslachtsrijp.

Ontwikkelingsschema van ei tot bij in aantal dagen:
ei larve pop totaal
Koningin 3 6 7 16
Werkbij 3 6 12 21
Dar 3 6 15 24

5. HUISVESTING

Bijenwoning, stand, verplaatsen, oriŽntatie

5.1 Algemeen

In de vrije natuur leven bijenvolken in holle bomen of dergelijke ruimtes. Ze beschermen zich daarmee tegen regen en kou, maar ook tegen indringers als wespen en vogels. In ons klimaat kunnen bijenvolken niet overleven zonder door de mens te worden geholpen. Onder gunstige omstandigheden kan een volkje wel eens een paar jaren overleven, zonder hulp. De mens heeft de bijenwoning aangepast, van "holle boom" tot een kast met losse raampjes. Dit niet zozeer om de bijen te helpen, dan wel om honing te oogsten.
De holle boom als bijenwoning was groot en zwaar. Al vroeg werden er strokorven gevlochten om bijen in te huisvesten. Het bezwaar van deze bijenwoningen was echter de vaste bouw. De bijen bouwden hun raten vast aan de wanden van de woning. De imker kon op die manier weinig invloed uitoefenen op het volk. Honingoogsten ging alleen maar door de raten stuk te maken. Vaak werden de volken dan eerst afgezwaveld. Rond 1850 werd de bijenafstand ontdekt: 6,3 - 9,5 mm Is de afstand kleiner dan 6,3 mm dan kitten de bijen alles dicht, is de afstand groter dan 9,5 mm dan wordt er raat in gebouwd. De Amerikaan Langstroth ontwikkelde op basis van die kennis de eerste kast met losse bouw. De imker kon de ramen met raat uitnemen of kunstraat geven zonder iets te beschadigen. Bij de bouw van kasten wordt de bijenafstand normaliter gesteld op 8 mm.

5.2 Bijenkasten


5.2.1 De Simplexkast

Dit is het oudste kasttype in ons land. De kast is dubbelwandig, hij is opgebouwd uit losse binnen- en buitenranden. De binnenranden staan koud op elkaar, de buitenranden hebben sponningen, waardoor ze niet ten opzichte van elkaar verschuiven. Bodem en deksel zijn los.

5.2.2 De Spaarkast

De Simplex heeft veel onderdelen, om dat aantal te verminderen is de Spaarkast ontwikkeld. Klik en vergroot De kast is enkelwandig, de randen staan koud op elkaar. Bodem en deksel zijn los.

5.2.3 De Segeberger kunststofkast

Deze uit Duitsland afkomstige kast is vrij recent verkrijgbaar. Het principe is als dat van de Spaarkast. De grote voordelen zijn het geringe gewicht en de goede warmte isolatie.

5.3 Het bijenraampje

Ons land verkeert in tegenstelling tot vele andere landen in Europa in de gelukkige situatie dat het slechts ťťn genormaliseerd type bijenraampje bezit (klopt niet meer helemaal). In de praktijk zijn er broed- en honingkamerramen, ieder dus met een vaste maat. De raampjes passen in alle typen kasten. Normaal gaan er 10 ramen in een honing- of broedbak. In de bak rusten de raampjes op afstandsrepen of zijn voorzien van afstandsblikjes. De houten raampjes worden voorzien van draden waar een vel kunstraat in kan worden gesmolten. De bijen bouwen dan aan beide zijden cellen van was uit.
We onderscheiden:
  • werkstercellen, doorsnede 5,4 mm
  • darrencellen, doorsnede 7 mm
  • koninginnencellen, ter grootte van een kleine vingerhoed, verticaal

De bijen delen de kast in volgens een vast patroon, onafhankelijk van de plaats waar de imker de honing- of broedkamers plaatst. Centraal in de kast zit het broednest. Daaromheen komt stuifmeel en daarboven de honing. Komt er veel honing binnen dan zakt het broednest naar beneden. In het vroege voorjaar als er weinig stuifmeel en voer zijn, dan zit het broed midden bovenin. Lekker warm dus.

5.4 De kastkleur

Bijen zien kleuren anders dan wij. Zij kunnen de kleuren blauw, geel, wit (geen loodwit) en zwart goed van elkaar onderscheiden. Rood wordt door bijen niet als een kleur waargenomen. Donkere kasten warmen snel op, een donker deksel kan erg warm worden in de volle zon.

5.5 De bijenstand

De imker heeft natuurlijk zijn bijen het liefst in de eigen tuin staan. Er moet goed worden nagegaan of dat kan zonder overlast te veroorzaken voor huisgenoten of buren. De plaats van de stand moet, indien mogelijk, zo worden gekozen dat er rust heerst voor de bijen en met de vliegopening naar het zuidoosten, op voldoende afstand van huis en buren. De stand zelf kan heel eenvoudig worden uitgevoerd, net als in het veld op en paar pallets. 's Winters hebben de kasten echter meer te lijden van het weer, enige bescherming kan geen kwaad. Die bescherming loopt in de praktijk van een eenvoudige overkapping tot fraaie bijenstallen, al naar de mogelijkheden en behoefte van de imker. Een stal is gemakkelijk voor het opbergen van extra materiaal.

5.6 Het verplaatsen van een volk

Zoals bekend zijn bijen zeer nauwkeurig georiŽnteerd op hun eigen kastplaats. Als een kast elders in de tuin wordt neergezet dan vliegen de vliegbijen terug naar de oorspronkelijke plaats. Bij het maken van een zwerm kan de imker op die manier een volk laten afvliegen. Op de plaats van de kast moet dan wel een andere kast worden gezet, anders gaat het fout. De actieradius van bijen is ongeveer 3 km. Als een volk meer dan 6 km wordt verplaatst dan herkennen de vliegbijen niets meer en gaan zich opnieuw oriŽnteren op de plaats van hun kast. Na 14 dagen zijn ze vergeten waar ze daarvoor stonden. Verplaatsen van een volk dient uiteraard te gebeuren als alle bijen in de kast zitten, dus 's avonds laat of 's morgens vroeg. Een kast met kleine beetjes per dag verschuiven kan wel, maar niet meer dan een halve kastbreedte per keer, ze vinden dan toch de ingang en wennen aan de verandering.

5.7 OriŽntatie

Bijen worden geboren met het vermogen de plaats van de zon waar te kunnen nemen, ook als de zon niet schijnt. Het waarnemen van UV - licht speelt een hoofdrol, op de plaats waar de zon staat is de hoeveelheid UV-licht aanzienlijk lager dan bij de rest van de lucht. Bijen kunnen met hun facetogen de zon overigens niet direct zien, zoals mensen. Het draaien van de zon in de loop van de dag wordt automatisch verwerkt in de bijenhersenen. Door het lage oplossend vermogen van de facetogen nemen bijen alleen iets scherp waar op korte afstand. Op grotere afstand wordt alles wazig, en alleen grote objecten geven nog enig contour. De bijen zijn dus tijdens een vlucht volledig aangewezen op hun navigatiesysteem. Pas een paar meter voor de kast wordt er echt iets gezien. OriŽntatie op de bijenkast vindt voor een deel ook plaats onder invloed van geurverspreiding. Wanneer jonge bijen zich gezamenlijk gaan oriŽnteren op de kast, de eerste vliegles, worden ze herinnerd aan hun eigen woning middels het verspreiden van nestgeur door op de kastwand aanwezige stertselende bijen. Deze bijen hebben hun achterlijf met de daarin aanwezige geurklier omhoog gericht en waaieren de nestgeur uit met een stilstaande vleugelslag.

Klik en vergroot5.8 Bijendans
Hoe vinden bijen massaal hun weg naar dezelfde dracht? Als een speurbij een goede dracht heeft gevonden dan keert ze terug naar de kast en "vertelt" de anderen waar die dracht zich bevindt. Ze geven door middel van de bijendans informatie over de richting die moet worden gevlogen, t.o.v. de zon en ook hoever het vliegen is (hoeveel energie het kost). Door uitwisseling van voedsel kunnen de bijen tevens geur en smaak doorgeven. Het aantal malen dat wordt gedanst, meestal op verschillende delen van de raat, hangt samen met de kwaliteit van de drachtbron. Is er een goede drachtbron gevonden dan worden zo meer bijen opgewekt om daar naar toe te gaan. Afhankelijk van de afstand van de voedselbron tot de kast kunnen 3 typen dansen worden onderscheiden.

5.9 Bloemvastheid

Als de bijen van een volk massaal op bijvoorbeeld de paardebloem vliegen, dan blijven ze daarop vliegen, ook als de fruitbomen boven hun hoofd in bloei komen. Als de speurbijen een betere drachtbron vinden dan zal er wel geleidelijk worden overgestapt. Zo wordt het voedselaanbod dus optimaal benut. Dit in tegenstelling tot b.v. hommels, die vliegen ieder voor zich rond om wat bij elkaar te sprokkelen, maar die leggen ook geen wintervoorraad aan.

6. BIJENSTEKEN

6.1 Algemeen

Bijen verdedigen zich als volk tegen belagers met behulp van een angelapparaat. Het angelapparaat is voorzien van weerhaakjes en niet bij darren ontwikkeld aangezien het van oorsprong een legbuis was. Voor belagers met een lederhuid (zoogdieren) betekent het dat de angel met gifblaas door de bij wordt verloren door de actie. Dit betekent de dood voor de betreffende werksterbij. Klik en vergroot De gifblaas met spier (gifpomp) blijft na de steek functioneren. Hierdoor wordt de gifblaas in de aanvaller geledigd. Het is derhalve zaak de angel met een nagel of mes zo snel mogelijk af te schrapen. Hierdoor stopt de giflozing. Wanneer de angel tussen de vingers wordt aangepakt wordt de gifblaas alsnog leeg gedrukt.
Na gestoken te zijn door bijen kunnen zich een drietal verschijnselen voordoen.

6.2 Onschuldige zwelling

De bijensteek kan een (meestal onschuldige) zwelling veroorzaken, die gepaard gaat met roodheid en pijnlijkheid. Dit is een teken van een goed functionerend afweersysteem. De zwelling gaat gepaard met jeuk en verdwijnt na een paar dagen. Indien vaker steken worden opgelopen verdwijnen de reacties goeddeels.

6.3 Allergische reactie

Ongeveer 0,02 % van de Nederlandse bevolking vertoont ernstige allergische reacties. Deze reacties vertonen zich niet op de plaats van de steek maar overal in het lichaam veelal binnen of na circa 15 minuten en betreffen jeuk, roodheid en/of galbulten over het hele lichaam, zweten, angst, ziektegevoel, bloeddrukdaling, zwelling slijmvliezen, diarree. Deze reacties kunnen levensbedreigend zijn. Er dient onmiddellijk een arts te worden geconsulteerd, die een injectie zal toedienen met adrenaline. Een allergie kan ook door het lichaam worden opgebouwd na herhaling van bijensteken in de loop van de tijd. Elke volgende steek kan dan een heftiger allergische reactie tot gevolg hebben. Allergie voor bijensteken is van een andere aard dan die van wespen en hommels. Een allergie voor wespensteken zegt dus niets over de gevoeligheid voor bijensteken. Via een langdurige behandeling kan de allergische reactie worden afgebouwd. Een dergelijke behandeling is noodzakelijk voor levensbedreigende allergische reacties bij mensen.

6.4 Vergiftiging

Indien een mens wordt gestoken door 300 bijen of meer kan een vergiftigingsverschijnsel optreden, die vergelijkbaar kan zijn aan een allergische reactie.

7. DRACHTPLANTEN

7.1 Bijenweide

Honingbijen halen zelf hun voer en zorgen voor een wintervoorraad voer. De imker oogst dat vervolgens als honing. De bijen moeten wel in de gelegenheid zijn om voer te winnen en voor de winter moet de imker de geoogste honing vervangen door een alternatieve wintervoorraad. Bijen halen hun voer van planten: nectar en stuifmeel. De planten die daarvoor door bijen worden bezocht noemen we bijenplanten of drachtplanten. Staan er veel planten bij elkaar, zoals in een veld koolzaad, dan wordt ook wel gesproken van een drachtgewas of kortweg dracht. Het is dus zaak dat er het hele seizoen drachtplanten in de buurt van de bijen staan. Of de imker moet de bijen bij drachtplanten plaatsen (met de bijen reizen). Wordt hier niet aan voldaan, dan moet de imker genoegen nemen met minder of geen honing. Misschien moet hij al na de voorjaarsdracht beginnen met bijvoeren om te voorkomen dat de volken te kort komen.

7.2 Voorjaar

In het voorjaar is het aantal drachtplanten groot. Het begint met de voorjaarsbollen als sneeuwklokje, winteracconiet en krokus. Daarna komen de verschillende wilgensoorten. Wilgen zijn tweehuizig, er zijn vrouwelijke en mannelijke planten. De bomen met de bekende katjes leveren geel stuifmeel, dat zijn dus mannelijke planten. Aan de vrouwelijke planten komen geen katjes maar onopvallende bloempjes met een soort vanginrichting voor het stuifmeel. Wel produceren zij nectar om insecten te lokken. Vliegt een bij met stuifmeel aan zijn haren naar een vrouwelijke bloem om nectar op te zuigen, dan zullen stuifmeelkorrels in aanraking komen met de kleverige bloemdelen en zo wordt de bloem bestoven. Na de wilg komt de paardebloem, die massaal kan bloeien in wegbermen en in weilanden. Intussen vordert het voorjaar en komen er bomen in bloei als sleedoorn, peer, kers en ander fruit. Ook in de sierbloemen en struiken komen nogal wat drachtbronnen voor. Een nog steeds te bereizen belangrijke dracht is het koolzaad (oost Groningen). Dat bloeit in de maand mei.

7.3 Zomer

Dan bloeit ook de acacia (Robinia pseudoacacia). Daarna komt de linde, als het tenminste niet te droog is. De voorjaarsdracht is dan voorbij. Wel komen dan braam en vuilboom in bloei, evenals bijvoorbeeld sneeuwbes. Misschien genoeg voor onderhoud van het volk, maar meestal geen echte dracht. Er kan worden gereisd naar de phacelia, klaver en luzerne.

7.4 Nazomer

In juli bloeit de dopheide en daarna in augustus de struikheide, De opbrengst van de struikheide is nogal afhankelijk van het weer voor en tijdens de bloei. Trekt er een onweersbui over de heide dan kun je de kasten wel weghalen, zeiden de oude korfimkers. Een enkeling gaat dan nog naar de zeeaster aan de waddenkust, eind augustus tot half september.

7.5 Voeren

Om de bijen de winter goed door te laten komen hebben ze minimaal 10 kg suiker nodig per volk. Veelal wordt 14 liter gefermenteerde suikeroplossing gegeven. Biet- of rietsuiker kan de bij niet verteren, het wordt door een enzym eerst gesplitst in brokstukken die wel zijn op te nemen. Door voorgefermenteerde suiker te geven, zouden de winterbijen minder slijten. Het is echter vooral het gemak. Gewone suiker moet worden opgekookt en afgekoeld voer het kan worden gevoerd.

7.6 Verbetering bijenweide

Iedere imker moet kijken of er in de omgeving van de bijenstal voldoende drachtplanten voorkomen, gedurende het hele bijenseizoen. In een woonwijk met veel tuinen kan dat heel goed zijn, staan er kastanjes en linden dan kan er vanuit de stal worden geÔmkerd, zonder te reizen. In een puur weidegebied kan de voorjaarsdracht goed zijn met wilg en paardebloem. Maar daarna is er niet veel meer te halen voor de bijen. De imker met een tuin kan veel voorjaarsbollen planten, misschien is een kastanje of linde ook mogelijk. Struiken als berberis en sneeuwbes zijn ook goed. Soms is de gemeente bereid om drachtplanten te zetten in het openbaar groen. De imker heeft de zorg op zich genomen voor de bijen, hij moet dus zorgen voor goede drachtomstandigheden voor zijn volken. Lukt dat niet bij de standplaats, dan zal er moeten worden gereisd. Misschien kan een zomerstand worden gevonden in een nabijgelegen natuurterrein.
Een dracht waar geen bloemen aan te pas komen wordt gevormd door honingdauw, een luizenafscheiding. Het kleverige sap dat door luizen wordt afgescheiden wordt door o.a. mieren en bijen opgelikt. Deze blad- of bos- (Wald) honing wordt dan ook wel luizenhoning genoemd. De honing is donker van kleur en sterk van smaak. In Nederland eigenlijk niet apart gewonnen, in het buitenland soms wel. Of er voor de bijen iets valt te halen hangt van veel factoren af. Het tijdstip van de dag, is het droog of nat, staan er voldoende planten om op te vliegen. In het vroege voorjaar en de late herfst vliegen ze eigenlijk op alles wat er is. Als het weer beter is willen ze als het kan een echte dracht. Bijen vertellen elkaar waar een goede drachtbron is, steeds meer bijen uit die kast gaan daar dan op vliegen. Ze scharrelen dus niet van bloem tot bloem zoals hommels. Een imker die van vele plantensoorten en paar planten in de tuin heeft zal in de zomer geen bij tegenkomen. Staan er meerdere planten bij elkaar dan komen er meer bijen. Dit hangt ook weer af van wat de planten de bijen te bieden hebben. Zelf waarnemen is het beste, wat bloeit er, waar vliegen de bijen op, met wat voor soort stuifmeel komen ze thuis, als ze de tuin uitvliegen, waar gaan ze heen.

Klik en vergroot7.7 Drachtplantenlijst
Nu volgt een lijst met veel bevlogen drachtplanten (is bij lange na niet volledig):
  • Aardbei
  • Acacia
  • Appel
  • Aster
  • Berberis
  • Berenklauw
  • Bessen
  • Bernagie of komkommerkruid
  • Blauw druifje
  • Boekweit
  • Braam
  • Brem
  • Bruidssluier
  • Campanula
  • Cotoneaster
  • Krokus
  • Cotoneaster
  • Dahlia
  • Distelsoorten
  • Dwergkwee
  • Esdoorn
  • Fluweelboom
  • Guldenroede
  • Heide
  • Helleboris
  • Honingboom
  • Hulst
  • Kaasjeskruid of malva
  • Kastanje
  • Kattestaart
  • Kers Kersenbloesem
  • Klaproos
  • Klaver
  • Klimop
  • Koolsoorten
  • Korenbloem
  • Kwee
  • Lamsoor
  • Liguster
  • Linde
  • Mahonia
  • Marjolein
  • Mosterd
  • Ossetong
  • Paardebloem
  • Papaver
  • Peer
  • Phacelia
  • Pruim
  • Prunus
  • Reseda of wouw
  • Roos
  • Sedum of vetkruid
  • Skimmia
  • Sleedoorn
  • Sneeuwbes
  • Sneeuwklokje
  • Springbalsemien
  • Sterhyacint of Scilla
  • Tamme Kastanje Tamme kastanje
  • Teunisbloem
  • Tijm
  • Toorts
  • Vuilboom of sporkehout
  • Wilg
  • Wilgenroosje
  • Winteracconiet
  • Zeeaster
  • Zenegroen
  • Zonnebloem

8. BIJENPRODUCTEN

8.1 Algemeen

Het nut van bijen is, naast de bestuivingstaak in de natuur en de land- en tuinbouw, de productie van:
  • Honing
  • Was
  • Propolis
  • Koninginnengelei
  • Bijengif
  • Stuifmeel
klik en vergroot 8.2 Honing
Honing wordt door de werksterbijen bereidt uit nectar verzameld in de bloemen of soms als honingdauw op bladeren van planten of bomen. Honingdauw is een afscheiding van bladluizen. De nectar wordt opgenomen uit de bloemen met een percentage suikers van 15 ŗ 50 %. De nectar wordt in de honingmaag verzameld en gefilterd. De nectar wordt in de bijenkast afgegeven aan werksters en voorlopig opgeslagen in cellen. De nectar wordt door de bijen ingedikt in de kast door het te bewerken, onder meer door het weer opnemen van de nectar. Door te ventileren wordt overtollig vocht de kast uitgewerkt. Deze werkzaamheden vinden vooral īs nachts plaats. Nectar kan als honing worden gekwalificeerd indien het suikergehalte is opgelopen tot ongeveer 80%. Bijenkasten on the moveOok voegen de bijen tijdens de bewerking extra stoffen toe om de honing te conditioneren tegen bederf en enzymen worden toegevoegd om de honing licht verteerbaar te maken. In honing komt ook stuifmeel voor.
Hieraan is de honingsoort af te leiden. Honing is gezond omdat de enkelvoudige suikers direct opneembaar zijn in het menselijk bloed en derhalve direct energie kunnen leveren. Voorts komen in honing nog belangrijke mineralen en vitaminen voor. Om de kwaliteit van honing te waarborgen is in Nederland de Warenwet, en daaruit het Honingbesluit van toepassing op in de handel gebrachte honing. Er zijn eisen voor de etikettering en voor de samenstelling. Honing mag niet verhit zijn, mag niet gisten (te laag suikergehalte) en moet door bijen zijn verzameld. Het gehalte aan invertsuikers (enkelvoudige suikers, glucose, fructose) moet minimaal 65% zijn. Schadelijke stoffen (bestrijdingsmiddelen) moeten afwezig zijn.


klik en vergroot8.3 Was
Was wordt door de jonge werksterbijen geproduceerd uit de wasklieren in de vorm van schilfertjes. Deze worden door de bijen gebruikt om de raten te bouwen. De was komt vrij nadat de imker oude veel bebroede raten vervangt door nieuwe (kunst)raten. De oude raten worden gesmolten door koken of stomen. De vrijkomende was wordt ontdaan van vuil door het filteren over een doek. Na het gieten van de ruwe was in een vorm ontstaat er een wasbrood. Van het wasbrood kan de imker kaarsen maken. De meeste imkers leveren de was in bij de imkervakhandel. Hier wordt de was weer verwerkt tot kunstraat of bijvoorbeeld bijenmeubelwas.

8.4 Propolis

Propolis wordt door de bijen vooral verzameld op knoppen van bloemen. Het is een kleverige harsachtige stof, denk maar eens aan de knop van een kastanje in het voorjaar. Bijen gebruiken deze stof voor velerlei doeleinden. De kleverige kithars levert de knop van de plant bescherming op tegen weer en wind en heeft een bacterie- en schimmel werende werking. Het is in de bijenwoning in gebruik als een soort cement. Kieren worden dichtgemaakt met propolis of de vliegopening wordt verkleind, ruimten kleiner dan 5 mm, bijvoorbeeld tussen de raten worden dichtgezet en de raten worden er mee vastgezet. Maar propolis heeft meer goede eigenschappen. Het bezit antiseptische eigenschappen, waardoor de cellen in de raat na het uitlopen van de bijen met een dun laagje propolis worden ontsmet. Ook ongewenste voorwerpen in de bijenkast, die door de bijen niet kunnen worden verwijderd, worden geheel in de propolis gezet, bijvoorbeeld een dode muis. Een dergelijk beest wordt op die wijze ontsmet en gemummificeerd. Ook zal propolis in beperkte mate worden toegevoegd aan honing, waardoor de honing beter houdbaar blijft. Propolis kan door de imker worden verzameld uit een bijenkast, bijvoorbeeld vanaf de koninginneroosters. Het afzetten van propolis door de bijen kan ook worden bevorderd door de dekplank van de kast te vervangen door een fijn gaas. De bijen kitten dit gaas geheel dicht. Deze kit is dan door de imker gemakkelijk te verwijderen, indien dit gaas in de diepvries wordt gelegd, waarna de propolis er gemakkelijk is af te breken. Propolis heeft ook voor de mens een krachtige genezende werking voor allerlei kwalen. Een imker heeft het altijd in pure toestand in huis en neemt een kluitje in de mond (als kauwgum) indien een keelontsteking de kop op steekt. De genezende werking komt voort uit de bacteriedodende werking van in propolis voorkomende stoffen. Propolis kan zowel inwendig als uitwendig tegen ontstekingen worden toegepast , verwerkt in zalf, tinctuur of drank.

8.5 Koninginnengelei

Verzorgsters om de moerDe larven die door het bijenvolk zijn uitgekozen om tot koningin te worden opgekweekt, worden gevoed met gelť royale, koninginnegelei. Deze extra voeding zorgt ervoor dat uit het bevruchte eitje een koningin tevoorschijn komt in plaats van een werksterbij. Het voedsel is aanwezig in de voedersap-klieren van werksterbijen tussen hun zesde en tiende levensdag. De koninginnengelei kan door imkers worden gewonnen door het verwijderen van de koninginnelarf en het opzuigen van de gelei met een plastic injectienaald. Eťn cel levert ongeveer 30 mg gelť royale. Koninginnegelei is eiwit- en vitaminerijk. Voor de mens heeft de koninginnegelei een heilzame werking bij gebrek aan eetlust , bij vermagering en depressies.

8.6 Bijengif
Bijengif wordt door enkele bedrijven gewonnen voor farmaceutische doeleinden. Het bijengif bevat ontstekingsremmende stoffen en kan een gunstig effect hebben bij reumapatiŽnten. Een deel van de werking kan ook worden verklaard door de aanwezigheid van stoffen die een pijnverzachtende werking veroorzaken . Het gif wordt gewonnen door bijen in een soort ballon te laten steken, waarin de vloeistof wordt opgevangen.

Klik en vergroot8.7 Stuifmeel
Bij met stuifmeelStuifmeel is de eiwitbron voor de voedering van de larven, de koningin en de jonge werksters met de taak de larven met voedersap te voeren. Ook bestaat stuifmeel uit vetten en bevat het mineralen. Stuifmeel wordt verzameld in bloeiende bloemen, waarbij tevens het stuifmeel van bloem tot bloem en van plant tot plant wordt verspreid om hiermede de bevruchting van de planten te bewerkstelligen. Het stuifmeel wordt in de raten opgeslagen en afgedekt met een laagje honing. De stuifmeel moet eerst in de cellen fermenteren om voor de bijen goed verteerbaar te zijn.
Het stuifmeel heeft vele verschillende kleuren. Facelia/blauw, paardebloem/oranje, klaver/bruinwit, paardekastanje/steenrood enz. Het is voor de imker in die zin interessant omdat hij op de vliegplank kan waarnemen waar de bijen op vliegen. Bijen zijn in redelijke mate bloemvast, dat wil zeggen dat indien er een bepaald gewas massaal bloeit dat alle bijen zich daarop oriŽnteren. Dit komt voor bij koolzaad, paardebloem, linde, heide e.d. Stuifmeel wordt door imkers in bijvoorbeeld Frankrijk gewonnen door een stuifmeelval voor de vliegopening te monteren. Bij binnenkomst in de kast worden de klompjes stuifmeel van de korfjes afgestreken door de bijen door een (te kleine) opening te laten lopen. Het stuifmeel wordt als een soort voedingssupplement gebruikt voor zwakke patiŽnten. Ook wordt stuifmeel geconsumeerd door allergie patiŽnten. Hiermede kan hooikoorts worden tegengegaan. In Nederlandse omstandigheden is de winning van stuifmeel niet wenselijk omdat de omstandigheden voor de bijen hier niet optimaal zijn en ze de stuifmeel niet kunnen missen. Bij afname zou spoedig een sterke verzwakking van de volken kunnen optreden. Herkomst van honing kan worden bepaald met stuifmeelanalyse.

9. ZIEKTEN EN PLAGEN

9.1 Algemeen

Een bijenvolk kent diverse belagers in de vorm van andere dieren als luizen, mijten (tracheemijt, varroa), wespen, hoornaar en andere bijenvolken maar ook vogels (mezen, zwaluwen) en kleine zoogdieren als muizen. In het algemeen is de schade toegebracht door luizen, wespen, de hoornaar en vogels van incidentele aard en niet bedreigend voor volken in goede conditie. Dit kan anders zijn indien een muis tijdens de winterrust de kast binnendringt. De bijen verdedigen zich dan niet of niet goed genoeg en de muis kan een ware ravage aanrichten in de raten. Het bijenvolk kan hierdoor, ook mede door de onrust in de winter het loodje leggen.

Klik en vergroot9.2 Varroamijt
Aantasting door de varroamijt kan wel fataal aflopen voor een bijenvolk.. De varroamijt is vanaf ongeveer 1985 in Nederland aanwezig, komend vanaf India. In India leeft deze mijt op de Indische bij (Apis cerana), en is daar niet fataal aangezien deze bijen een afweermiddel hebben ontwikkeld. De Apis cerana is in staat om de mijt van zijn lichaam te verwijderen en de mijten dood te bijten. Onze bijen zijn daar voorlopig niet toe in staat, alhoewel hier op den duur door selectie, natuurlijk of kunstmatig, ook wel een zekere weerstand zal worden ontwikkeld. Een met varroa besmet bijenvolk gaat na ongeveer drie jaar dood is de ervaring indien geen maatregelen worden genomen om de mijten te bestrijden. De mijtenbestrijding kan op biologische wijze (darrenraatmethode, mierenzuur) of met behulp van chemische bestrijdingsmiddelen (Apistan, Apitol) worden uitgevoerd. De schade door de varroamijten ontstaat doordat mijten bloed zuigen van de bijen door gaatjes te prikken in de bijen. De mijten vermeerderen zich in het gesloten broed, waarin de mijt eitjes afzet. De jonge mijten parasiteren op de poppen. De aangetaste bijen, die uit de poppen voortkomen, hebben onder meer beschadigde vleugels, waardoor vliegen uitgesloten is. Ook zijn aangetaste bijen zeer kwetsbaar voor andere ziekten aangezien ze gaatjes in hun pantser hebben door de varroabeten. Het aantal varroamijten kan oplopen tot duizenden exemplaren per kast Door effectief te bestrijden kan dit aantal tot enkele tientallen worden teruggebracht en de plaag onder controle worden gehouden.

9.3 Microbiologische aantasting

Microbiologische aantasting kan plaatsvinden door bacteriŽn en virussen. Bekende ziekten zijn onder meer de ziekten die het broed aantasten zoals kalkbroed, Europees vuilbroed en Amerikaans vuilbroed. Daarnaast is een belangrijke ziekte de Nosema, een ingewandsstoornis. We behandelen de belangrijkste ziekten en dat zijn Amerikaans vuilbroed en Nosema.

klik en vergroot 9.4 Amerikaans vuilbroed (AVB)
Amerikaans vuilbroed is een bacterieziekte in het broed. De ziekte is vermoedelijk met het Amerikaanse leger na de oorlog meegekomen naar Europa. De Amerikanen importeerden hun eigen honing met daarin sporen van de Bacillus Larvae, de veroorzaker van Amerikaans vuilbroed. De broedziekte gaat zeer snel, waardoor de bijen niet in staat zijn om door hygiŽnische maatregelen in de kast de ziekte de baas te blijven. De ziekte kan door sporenvorming van de bacterie latent aanwezig blijven in een bijenvolk. Vooral in volken waar het even niet zo goed mee gaat en met een aanwezige latente besmetting kan de ziekte toeslaan. Nabuurvolken worden dan ook de dupe, door vervliegende bijen en ook doordat zieke, verzwakte volken worden beroofd door de in de buurt staande bijenvolken. De enige goede methode ter bestrijding van de ziekte is om de volken van een bijenstand en de in de omgeving staande bijenvolken te ruimen. Dit gebeurde tot voor kort. In verband met de kosten heeft de overheid besloten alleen de volken te ruimen waarvan klinisch is vastgesteld dat ze de ziekte hebben. Hiermede kan niet worden volstaan, de imker dient zelf de andere volken te ruimen en al zijn materialen te ontsmetten of te verbranden. Een preventieve methode is om de volken jaarlijks te laten onderzoeken op het voorkomen van de sporen van de bacterie. Dit kan door enige honing uit de voederkrans van de raten van bijenvolken te testen in een laboratorium. De ziekte uit zich door inzakkende broedcellen en een rottende geur. Indien met een lucifer de inhoud van een broedcel wordt aangeraakt, dan kan men van de inhoud een draad trekken, de luciferproef.

9.5 Nosema

Nosema wordt veroorzaakt door de Nosema apis Zander, een eencellige darmparasiet. De parasiet is sporenvormend. De sporen zijn in elk volk aanwezig. Indien een volk is verzwakt door bijvoorbeeld stuifmeelgebrek of door andere ziekteverwekkers of aantastingen is de kans groot dat de Nosema uitbreekt. Dit treedt vaak op in een erg koud voorjaar, waardoor in het bijenvolk stuifmeelgebrek kan ontstaan. De darmen van een met Nosema besmette bij worden aangetast en daardoor gaat de bij zich in de kast ontlasten en zorgt zo voor een sterke verspreiding van de aantasting. Een volk kan hieraan bezwijken. De Nosema zorgt voor een slechte gezondheid van de bijen, ze zijn niet in staat om als voedsterbij te fungeren en hebben met een korte levensduur. De remedie is om vele nieuwe raten toe te passen, de kasten te ontsmetten, raten, die buiten gebruik zijn te ontsmetten met damp van ijsazijn en door te zorgen voor een goede stuifmeeldracht in de herfst.

9.6 Natuurlijk afweer tegen ziekten en plagen

De natuurlijke afweer tegen andere insecten, zoogdieren en vogels kennen we al. De bewaking van de vliegopening en in geval van een aanval het hanteren van de angel van de werkbij met de daaraan gekoppelde gifblaas. De imker kan de bijen helpen met de afweer tegen muizen in de winter door de vliegopening tot 7 mm te verkleinen
De afweer tegen de varroamijt is in mindere mate aanwezig. Hierop kan worden geselecteerd, door bijenvolken te kweken die in staat zijn om de mijten van hun lichaam te verwijderen (hygiŽnisch gedrag).
De afweer tegen micro-organismen is anders geregeld dan bij zoogdieren. De bij heeft een systeem dat generaal werkt tegen allerlei voorkomende ziekteverwekkers en heeft geen ontwikkelt immuun- systeem. Alle inkomende voedsel wordt door een zeef (membraan) in de ingewanden gefilterd en ongerechtigheden, waaronder micro-organismen worden tegengehouden. Ook scheidt de bij antiseptische stoffen af om bacteriŽn te doden. De nieuw te beleggen broedcellen worden voor het gebruik gereinigd en ontsmet. Voorts wordt gebruik gemaakt van propolis om voorwerpen te ontsmetten. Allerlei vreemde voorwerpen als dood broed en dode bijen en afval worden de kast uitgedragen. Het hygiŽnisch gedrag van bijen is een belangrijk kenmerk voor natuurlijke en kunstmatige selectie.

10. DE WINTERRUST

10.1 Nazomer

In de maanden augustus/september bereidt de honingbij Apis mellifera zich voor op de winter. Dat uit zich in:
A. Het verzamelen van voldoende voer, zowel nectar als stuifmeel, om de wintervoorraad aan te leggen. De stuifmeelvoorraad wordt in de cellen afgedekt met een laagje honing om bederf te voorkomen Onder de afdekking gaat het stuifmeel fermenteren en wordt houdbaar en beter verteerbaar (vergelijkbaar proces als bij kuilvoer in de landbouw). De honing wordt altijd zo ver mogelijk van de nestingang opgeborgen om het ver verwijderd te houden van eventuele rovers. De stuifmeelvoorraad bevindt zich daar onder.
B. Het voortbrengen van winterbijen. De winterbijen verschillen van de zomerbijen doordat zij een extra voedselvoorraad bij zich dragen in de vorm van een eiwit-vetlichaam. Dit eiwit-vetlichaam staat ten dienste van de voeding voor de eerste larven die in de loop van de winter geboren zullen worden. Tevens zijn de winterbijen voorzien van een extra rekbare endeldarm om de ontlasting ontstaan in de winterperiode tijdelijk op te slaan.
In de nazomer en herfst worden de dagen korter en zal er geleidelijk aan steeds minder voedsel voor de bijen te halen zijn. Ook dalen de gemiddelde dagtemperaturen. Na de eerste nachtvorsten zal er voor de bijen in het algemeen weinig meer te doen zijn buiten. Bij een temperatuur beneden de 10 graden Celcius blijven de bijen binnen. De koningin stopt met het leggen van eieren, circa 1 november.
De imker slingert in augustus/september voor de laatste keer honing. Direct daarop volgend gaat hij de afgenomen honingvoorraad vervangen door het voeren suikerwater aan de bijen. Dit kan opgeloste kristalsuiker zijn in de verhouding 1 liter water op 2 kg suiker of het kan met kant en klare producten, geÔnverteerde suikeroplossingen in jerrycans, verkrijgbaar bij de imkervakhandel. Totaal moet tenminste 10 a 15 kg suiker worden opgevoerd per bijenvolk. Het voeren moet gereed zijn voor 1 oktober. Het voeren wordt uitgevoerd door het plaatsen van een voerbak van 2 liter (of 10 liter) op het voergat in de dekplank van de bijenkast De bijen nemen twee liter voer op in 1 of 2 etmalen. Na 14 dagen is het voeren achter de rug en kunnen de bijen de winter door.

10.2 Winter

Kasten in de sneeuwZodra de temperatuur onder de eerder genoemde 10 graden zakt, dan gaat de bijenkolonie een tros vormen op en om de raten. Een ronde vorm heeft een zo klein mogelijk uitwendig oppervlak, waardoor er weinig warmte verloren kan gaan. De bijentros hoeft bij afwezigheid van broed niet meer op 36 graden verwarmd te blijven. De temperatuur in de buitenkant van de tros zakt tot 15 graden. In het midden van de tros zal de temperatuur ca. 22 graden zijn. Om de bijen in de buitenste schil niet te veel te laten afkoelen, zullen deze steeds van plaats gaan wisselen met bijen binnen in de tros. Na nieuwjaar gaan de dagen lengen en in februari zal de temperatuur al wat op kunnen lopen op mooie dagen. De koningin begint in de loop van februari met een klein broednestje. De bijen kunnen dan vrijwel nooit al uitvliegen. De larven worden dan de eerste dagen gevoerd door de werksters met behulp van de voedselvoorraad in het eiwit-vetlichaam en later met de aanwezige opgeslagen stuifmeelvoorraad.

10.3 Vroege voorjaar
Eind februari of begin maart zal de eerste keer de mogelijkheid zich voordoen om bij een temperatuur van minimaal 10 graden voor de bijen om uit te vliegen. De eerste keer wordt ook wel de reinigingsvlucht genoemd. De bijen gaan zich in de vlucht, of zittend op vooral wit wasgoed, ontlasten. De opgespaarde hoeveelheid secretie in de opgerekte endeldarm wordt verwijderd. In de loop van maart zal er een aantal vliegdagen zijn om de stuifmeelvoorraad aan te vullen. Dit zal er toe leiden dat de koningin wordt gestimuleerd in de eileg en het broednest wordt uitgebouwd. Ongeveer medio april is de bijenkolonie het kleinst in omvang, zoīn 10 a 15 duizend bijen. De aanwas van jonge bijen na dit tijdstip wordt veel groter dan de optredende sterfte van de winterbijen. De kolonie groeit snel tot eind mei het hoogtepunt wordt bereikt met een sterkte van 50.000 bijen.

10.4 Voorjaarsinspectie

Ongeveer begin april tot half april bij een temperatuur van tenminste 15 graden zal de imker voor de eerste keer een inspectie van de bijenvolken uitvoeren. Gekeken wordt:
  • of de koningin aan de leg is
  • of er sprake is van darrenbroedigheid
  • of er voldoende voer (inclusief stuifmeel) aanwezig is
  • of het aantal met bijen bezette ramen, tenminste 5Š 6 is
  • hoeveel ramen bebroed worden, dit moeten tenminste 3 zijn
  • of slechte ramen moeten worden vervangen door nieuwe kunstraten

Indien een volk niet goed uit de winter is gekomen kan het worden verenigd met een ander volk. In het voorjaar kan dit gewoon door de kasten op elkaar te plaatsen of de bijenramen bij elkaar in de kast over te hangen. Er moet echter geen sprake zijn van ziekteverschijnselen.
Ook latere tijdstippen kunnen bijenvolken ook worden verenigd. Dit moet dan echter geschieden met de nodige voorzorgsmaatregelen, bijvoorbeeld met de krantenmethode.

11. OMGAAN MET BIJEN

11.1 Hulpmiddelen

De imker heeft een aantal hulpmiddelen nodig om met de bijenvolken te kunnen omgaan.
Hulpmiddelen
Bijenhoed, of jas of pak gecombineerd met een kap Handschoenen, dun leer met lange mouwen van stof met aan het einde elastiek Een beitel om kastonderdelen los te wrikken en ongewenste aanbouwsels van was of kit (propolis) te verwijderen Een raampjeslichter, veelal gecombineerd met beitel Een raampjesgrijper of tang om ramen uit de kast te tillen Een beroker, een Dathepijp of losse beroker met blaasbalg of opwindwerk

klik en vergroot11.2 Inspectie
Het openen van een bijenkast moet gepaard gaan met de nodige omzichtigheid. In de eerste plaats moet je niet in de vlucht gaan staan, dus achter de kast plaatsnemen. Alle werkzaamheden moeten voorzichtig plaatsvinden, waarbij vooral schokken en stoten worden vermeden. Ook zijn bijen erg gevoelig voor vreemde geuren, dus geen parfums, aftershave gebruiken of benzinelucht aan kleding of alcohollucht in de adem. Weersomstandigheden zijn van invloed op het gedrag van bijen. De kasten alleen openen bij goed weer, wanneer veel bijen de kast uit zijn. Indien er onweer op komst is zijn de bijen agressiever. Niet later op de avond de kasten nog openen, de bijen gaan op de kleding van de (warme) imker zitten en zijn nauwelijks nog te verwijderen.

11.3 Handelingen in volgorde:
  1. Pijp aansteken
  2. Het deksel van de kast afnemen en op de kop wegleggen
  3. De dekplank met behulp van de beitel op een hoek oplichten en enige rook onder het deksel blazen en dekplank weer laten zakken en twee minuten wachten
  4. Dekplank afnemen en achter je op de kop op de grond wegleggen
  5. Ramen loswrikken aan voor- en achterzijde door ze even op te wippen met de raampjeslichter
  6. Indien nodig af en toe spaarzaam enige rook toedienen
  7. Ramen voor inspectie uitlichten en bekijken.

Indien de ramen bijvrij bekeken moeten worden dan de bijen van het raam afslaan door het raam met ťťn hand aan ťťn oor boven de kast vast te houden en met de andere hand een klap op het raam te geven vallen de bijen van het raam op de raten in de kast. Indien meerdere kamers van de kaast bekeken moeten worden, dan de bakken op het omgekeerde deksel of dekplank wegzetten. Het is wenselijk de bakken afzonderlijk af te dekken met een vochtige doek of reserve-dekplank. De afzonderlijke bakken altijd in dezelfde volgorde en stand terugplaatsen

Het opzoeken van een ongemerkte koningin kan een lastig en tijdrovend werk zijn. Een hulpmiddel is om een extra koninginnerooster tussen de broedbakken te leggen. Na enige dagen kan worden bekeken waar zich eieren bevinden. In de broedbak met eieren bevindt zich de koningin. Een koningin kan van de raat worden gehaald door er een vangbuis overheen op de raat te plaatsen en te wachten totdat de koningin de vangbuis inloopt. In de vangbuis kan de koningin worden opgesloten en worden gemerkt op het borststuk. Desgewenst kan de vleugeltip van een vleugel worden geknipt om de koningin het vliegen te beletten en zodoende zwermen te voorkomen. Werken volgens tevoren bedacht plan Indien een inspectie van bijenkasten op het programma staat, trek hier dan steeds ruim voldoende tijd voor uit. Werk volgens een vooraf bedacht plan en neem alle spullen mee die je (eventueel) denkt nodig te hebben. Beter te veel bij de hand dan te weinig, vooral van belang als je op een reisstand staat. Haastig werken met bijen is altijd uit den boze! Ook het bewegingstempo van je handen in de buurt van de kast moet altijd in "slow-motion" worden uitgevoerd. Aan snelle bewegingen hebben bijen de pest! Indien de bijen onverhoopt toch prikkelbaar zijn is het veelal verstandig om de inspectie uit te stellen en de kast weer te sluiten. Ga nooit zonder (goede) persoonlijke beschermingsmiddelen met de bijen aan het werk.

12. WETENSWAARDIGHEDEN OMTRENT EEN BIJENVOLK
  • Nectar bevat 30% suikers, honing bevat 80% suikers
  • Een bij vervoert per vlucht circa 20 mg nectar
  • Hiervan blijft 7,5 mg honing over
  • Eťn pot honing van 450 gram komt derhalve tot stand door de inspanning van 60.000 bijenvluchten
  • Eťn bij kan in zijn leven maximaal 7 gram honing verzamelen, gemiddeld 5 gram
  • Tijdens zijn leven als vliegbij wordt een afstand afgelegd van 800 km
  • Voor ťťn pot honing werken 90 bijen hun leven lang en vliegen totaal 72.000 km
  • In het hoogseizoen, eind mei, legt een koningin tot maximaal 2000 eieren per etmaal
  • Een goede koningin kan in haar leven van 3 a 4 jaar tot maximaal 200.000 eitjes leggen
  • Er bevinden zich 4 werkstercellen per cm2 op de raat
  • Eťn broedraam heeft een oppervlakte van 673 cm2
  • Twee zijden van het raam dus 1346 cm2
  • Tien broedramen hebben een raatoppervlak van 13460 cm2
  • Er bevinden zich derhalve ongeveer 54.000 cellen in een broedkamer
  • De koningin kan in theorie op topcapaciteit in 27 dagen de broedkamer vol leggen
  • De bijenkast bevat gebruikelijk 2 broedkamers, er blijft dus ruimte voor een voer- en stuifmeelrand rond het broednest.

13. NA DE KENNISMAKINGSCURSUS en dan...

13.1 Algemeen

Deze cursus is opgezet om mensen met het fenomeen bijen te laten kennismaken. En dat het niet zo maar een diertje is hebt u wel begrepen. Er valt zo veel over te vertellen omdat er al honderden jaren door de mens met bijenvolken wordt gewerkt om te kunnen profiteren van de honing, de was, de koninginnegelei en propolis. De honingbij is het meest bestudeerde insect ter wereld. En toch blijf je als mens je elke keer weer verbazen over de bijen. Geen jaar is hetzelfde. Na de cursus kun je denken het is leuk geweest, ik heb er veel van opgestoken, maar bijenhouden dat gaat me toch (misschien voor dit moment) te ver. Maar ook dan is de cursus voor onze organisatie geslaagd te noemen! Misschien wil je toch zijdelings betrokken blijven, dan is het donateurschap een mogelijkheid voor > Ä 8 per jaar. Je ontvangt als donateur vijf maal per jaar het verenigingsblad Bijpraot en elk jaar een pot honing. Of je zegt tegen jezelf, ik wil de bijen niet meer missen, geen dag. Zelf imkeren lijkt me het einde. Dan kunnen we jou als Imkervereniging Zuidlaren verder helpen. Daar gaat het onderstaande over.

13.2 Nederlandse Bijenhouders Vereniging

De Imkersvereniging is een subvereniging van de NBV de Ned. Bijenhouders Vereniging, gevestigd in Wageningen. Meer informatie over de VBBN kunt u lezen op de website van de NBV http://www.bijenhouders.nl

13.3 Word lid van de Imkersvereniging Zuidlaren
Stuur een email naar de secretaris.

14. BOEKENLIJST
  • Bijenhouden, Maandblad voor Imkers, Uitgave Nederlandse Bijenhouders Vereniging
  • Bijenteelt, Maandschrift voor de Bijenteelt, uitgave van de NBV
  • Gould, J.L. en C.G.Gould, 1988. De honingbij. Een samenleving van kleine giganten. Natuur en Techniek, Maastricht.
  • Ham, R.W.J.M. van der, J.P. Kaas, J.D. Kerkvliet en A. Neve, 1999. Pollenanalyse.
  • Stuifmeelonderzoek van honing voor imkers, scholen en laboratoria. Uitgave Stichting landelijk proefbedrijf voor insectenbestuiving en bijenhouderij Ambrosiushoeve, Hilvarenbeek.
  • Hensels, L.G.M., 1989. Drachtplantengids voor de bijenteelt. Pudoc, Wageningen.
  • Roever, J.G. de, 1948. Bijen en bijenhouden. Ahrend en zoon, Amsterdam.
  • Schotman, J.W., 1983. Handboek der moderne bijenteelt. Konstapel, Groningen.
  • Speelziek, J.J., 1983. Werkboek bijenhouden. Zomer en Keuning, Ede.
  • Speelziek, J.J., J. Beetsma, H.H.W. Velthuis e.a., 1987. Imkersencyclopedie voor Nederland en BelgiŽ. Zomer en Keuning, Ede.
  • Zeiler, C., 1983. 300 tips voor het houden van bijen. Thieme, Zutphen.



 
 
Volg de Markt op: &