Imkersvereniging Zuidlaren     -     Sinds 1893  
 
   
 

Persbericht



Factoren die het foerageergedrag van honingbijen bepalen (deel I); Dracht in Nederland (cultuurgewassen en wilde planten) (deel II)

Samenvatting

Om een inschatting te kunnen maken van het risico dat honingbijen blootgesteld worden aan gewasbeschermingsmiddelen, andere stoffen zoals atmosferische depositie van fijnstof en organismen zoals plantpathogene microorganismen, is in opdracht van het Ministerie van EZ/Landbouw een samenvatting gemaakt van de informatie, beschikbaar over de aantrekkelijkheid van Nederlandse gewassen voor honingbijen (Apis mellifera). De opdracht is vorm gegeven in twee delen.

Deel I is een beschrijving van het bijenvolk met de focus op het foerageergedrag, gevolgd door een beschrijving van factoren die het foerageergedrag bepalen, hoe de bijen hun omgeving exploreren en exploiteren en een lijst met kengetallen over het foerageren van honingbijen.

Deel II geeft een overzicht van cultuurgewassen en wilde planten met bijbehorende waarden van nectar en stuifmeel voor honingbijen met bloeitijden en verwijzingen naar goede drachtplantenboeken. Hieronder zijn puntsgewijs relevante zaken gegeven die in het rapport verder uitgewerkt zijn.

Honingbijen zijn voor hun voedsel (nectar en stuifmeel) volledig afhankelijk van planten. Het foerageergedrag en de voorkeur voor gewassen hangt af van de behoefte in het volk en de aantrekkelijkheid van het gewas als nectar- en stuifmeelbron. Het foerageergedrag wordt voortdurend aangepast aan de beschikbare dracht en de behoeften van het bijenvolk. Honingbijen leven in volken die variëren in grootte van ~7000 individuen in het voorjaar (maart) tot 20.000 à 30.000 in de zomer en weer afnemend in oktober. In het actieve foerageer- en broedseizoen is een derde tot een vierde deel foerageerster (haalbij). In de loop van een seizoen halen de bijen ten behoeve van het volk 25 kg water, 20 - 30 kg stuifmeel, 125 kg nectar en kleine hoeveelheden hars (propolis). Voor het halen van deze voedselcomponenten vliegen bijen tot 2 km voor water, tot 6 km voor stuifmeel en tot 12 à 13 km voor nectar. Meestal zullen de vluchten echter beperkt zijn tot 600-800 meter. De foerageerafstanden zijn in de zomer (juli augustus) langer dan in het voorjaar (maart mei).

Met andere woorden, in het voorjaar wordt het voedsel in een kleiner gebied verzameld dan in de zomer. Het risico dat bijen aan een bespuiting zullen worden blootgesteld zou daarom na half juni hoger kunnen zijn dan in het voorjaar. Maar aan de andere kant zijn dan de meeste bespuitingen met insecticiden achter de rug. Het risico van blootstelling aan een insecticide is hoger in een gewas met een goed nectar- (hoeveelheid en suikerconcentratie) en stuifmeelaanbod. Foerageersters vliegen per dag gemiddeld 10 keer uit om voedsel te verzamelen, elke trip kan van een paar minuten tot een uur duren. Door communicatie via de bijendans en trophallaxis (voedseluitwisseling) wordt de keuze voor het benutten van een bepaalde dracht sterk gestuurd. Dat betekent dat bijen zich niet homogeen verdelen over het drachtgebied maar focussen op de meest profijtelijke drachten. Als gevolg daarvan is geen bezoek en veel bezoek in de verdeling meer vertegenwoordigd dan een beetje bezoek.

Bijenvolken van een bijenstand verdelen zich niet allemaal gelijk over het drachtgebied; verschillende volken bezoeken deels verschillende en deels overlappende drachten. Hoewel de triggers en veelal de drempels bekend zijn, evenals de manier van foerageren, is het nog niet mogelijk precies te voorspellen hoe een volk zich verdeelt over meerdere velden. Omgekeerd is ook niet te voorspellen welk aandeel van verschillende volken op verschillende locaties in een bepaald veld mag worden verwacht. De nectar die binnengebracht wordt, wordt binnen enkele uren verdeeld over het volk; foerageersters gebruiken het als brandstof voor nieuwe foerageervluchten, het komt in het larvenvoedsel terecht en het meeste wordt opgeslagen. Vaste deeltjes zoals fijnstof en microbiële plantpathogenen verdelen zich snel over de bijen in het volk door fysiek contact.

Publicatie-informatie

Bron Wageningen : Plant Research International, Wageningen UR, 2015 (Rapport 606) - 94 p.
Afdeling(en) PRI Bioint Entomology & Disease Management
Publicatietype Scientific report
Publicatiejaar 2015

 
 
Volg de Markt op: &